Amsterdam van alle markten thuis

Afdrukken

 

Wanneer kreeg Amsterdam marktrechten ?
Het is waarschijnlijk dat de stad in 1342 samen met de stadsrechten ook markrechten kreeg. Vanaf de 14e eeuw werden er diverse markten georganiseerd.
Wat is in dit verhaal een markt ?
Het gaat hier om verzamelingen kooplui met vergelijkbare waar, die door de overheid een vaste straatruimte toegewezen kregen. Overigens lijken de 20e-eeuwse markten in niets op de vroegere branchemarkten, door de veelheid aan aangeboden levensmiddelen en goederen. Alhoewel, in de 17e eeuw werden de Noordermarkt (ook: Prinsenmarkt), de Nieuwmarkt (ook: Sint Anthoniesmarkt), het Amstelveld en de Westermarkt (ook:Keizersmarkt) aangewezen om meerdere kleine productgroepen tegelijk te herbergen. Ook die markten kunnen als voorloper van de moderne dagmarkten gezien worden. Markten waren bijna altijd aan een waterweg. De vroegste markten aan de Dam, Damrak, Rokin. Namen als Bierkade, Turfmarkt, Stromarkt, Botermarkt, Zoutsteeg en Melkboerssteeg geven aan, dat er desbetreffende markten gehouden werden. De eerste Amsterdamse markten waren ontmoetingsplaatsen voor producent en afnemer en pas later kwamen daar tussenhandelaren bij. Dat waren aanvankelijk venters maar daarnaast werden later ook groothandelaren actief. Die laatsten werden pas in de 20e eeuw belangrijke afnemers, die aan winkeliers leverden. In de voorafgaande eeuwen kwam de consument zelf de waren beoordelen voordat hij kocht, zelfs de dames uit de gegoede burgerij.
Er was betrekkelijk weinig plaats voor de veelheid van markten die zich ontwikkelden. De stad kende buiten de Dam niet veel pleinen waar je een markt kon onderbrengen. De meeste markten werden aan kaden langs een vaarweg gehouden. In verband met de bereikbaarheid met een schip waren deze plaatsen het meest voor de hand liggend.
Vismarkten
De vismarkt is mogelijk het oudste markttype van Amsterdam, al genoemd in de 14e eeuw. Het Sint Pietersgilde der visverkopers en -verkoopsters was één der oudste gilden. De grote vismarkt op de Damsluis hield daar vijf eeuwen stand. Het is de eerste markt waar de stedelijke overheid streng toezicht op hield. De van de visafslag ingekochte vis mocht alleen vanaf de (gehuurde) ‘visbanken’ op de vismarkt verkocht worden. Zo was die hele handel gecentraliseerd en kon de overheid de accijnzen eenvoudig innen.
De mosselen- en oestermarkt vormde min of meer een geheel met die markt en vond een plek aan de Mosselsteiger, buiten diezelfde Haarlemmersluis. Oesters werden vooral in de 18e en 19e eeuw in grote hoeveelheden aangevoerd en in luxe oestersalons verorberd.
Garnalenmarkt
De garnalenmarkt vond aanvankelijk een plaats op het Singel, voor de Hand- en Voetboogdoelen. In de 17e eeuw werd die verplaatst naar het Realeneiland (Zandhoek).
Bokkingmarkt
Op het Koningsplein werd een bokkingmarkt gehouden. Het mag als vreemd ervaren worden dat juist de garnalen naar de Zandhoek gingen en de bokking naar het Koningsplein, terwijl alle bokking in Amsterdam van de rokerijen op de Bokkinghangen kwam, direct naast de Zandhoek.
Platvismarkt
Aan de Haringpakkerij was een plaatsje ingeruimd voor nog een verkooppunt voor schar en schol. De joodse immigranten hadden hun eigen Jodenvismarkt aan de Houtgracht, bij de brug voor de Vlooienburgsteeg en ook ín die steeg, die nu Houtkoperdwarsstraat heet en welk deel het tot de 2e Wereldoorlog heeft uitgehouden. Daar werd vooral zoetwatervis verkocht maar ook wel zeevis. In de Houtgracht lagen schuitjes, half gevuld met zeewater, waarin vis levend gehouden werd door het in beweging houden van het water. Dat gebeurde door middel van een plank, die dwars over deroeibank lag en door een – wijdbeens staande – man in wippende beweging gebracht werd. De lui, die dit bedrijf uitoefenden, werden spottend hobbelstudenten genoemd. Deze laatste vismarkt heeft het leven 300 jaar weten te rekken.
Vleesmarkten (vleeshallen)
In tegenstelling tot de veemarkten die hieronder ter sprake komen gaat het hier om geslacht vee dat in delen te koop wordt aangeboden. Sinds een keur van 1502 was de slacht streng gereguleerd en door zogenaamde ‘vinders’ (overheidsdienaren, marktmeesters) gecontroleerd. De consument kocht nooit direct van het slachthuis maar bij een tussenhandelaar die vanaf de eveneens gecontroleerde ‘vleesbank’ in de vleeshal verkocht. Deze hallen waren door de stedelijke overheid ingesteld om de burgerij van gezond vlees te voorzien en kwade praktijken van vleeshouwers te voorkomen door het toezicht van de vinders of keurmeesters.
Gevogelte- en wildmarkt (kippenmarkt)
Zoals zovele markten begon de gevogeltemarkt op ‘die Plaetse’ (Dam).Door de grote drukte op het plein werd de markt na 1587 verplaatst naar de ruimte tussen de grote en kleine vleeshal tussen Nes en Oudezijds Voorburgwal, waarvan in Brederodes toneelstuk Moortje (1613) nog sprake is. Ook op de Nieuwmarkt werd in die tijd pluimvee verkocht. In 1660 scheidden de hoender- en vogelkopers zich van het Sint Pietersgilde af en kregen in 1669 een zelfstandige markt op de Botermarkt (Rembrandtplein), in de zuidoosthoek van het plein die de ‘Kippenhoek’ ging heten.
Groentemarkten
Groente was in de Middeleeuwen helemaal geen belangrijk onderdeel van het voedselpatroon. Dat kwam pas in de 16e eeuw op gang en dat zal wel iets te maken hebben met de introductie van de aardappel, die immers uit Amerika kwam. de groenteverkopers waren nu juist de enige beroepsgroep op de markt die niet in een gilde verenigd was.De overheid deed van alles om de markten enigszins in zijn greep te krijgen, bijvoorbeeld door na de concentratie van groenmarkten op de Prinsengracht de handel weer te spreiden. Zo werd de markt langs die gracht steeds uitgebreider door het uit elkaar houden van de verkopers naar streek van herkomst. De Zuid-Hollandse kwekers stonden gescheiden van de Noord-Hollandse en die uit Noord-Nederland. Die uit de Diemer- en Bijlmermeer kregen weer een heel andere plek toegewezen. De grootste groenmarkt was vanaf 1669 aan beide zijden van de Prinsengracht, tussen de Egelantiers- en Looiersgracht, ook voor de Westermarkt langs. Die plek werd in de 18e eeuw te krap en daarom mochten tuinders uit de Diemer- of Watergraafsmeer en de Bijlmermeer op maandag en vrijdag hun waar verkopen op het Oudekerksplein. Die markt werd aangevuld met fruitstallen. In 1895 werden alle groente- en fruitmarkten verplaatst naar de opnieuw ingerichte schans in het westen van de stad. De markt kwam tussen de Engelse Gasfabriek (op de plek waar nu het hoofdbureau van politie staat) en molen De Victor (De Clercqstraat). De markt kreeg vanaf de Singelgracht een aantal insteekhavens, maar daar hield het gedegen ontwerp van de grootste markt van Amsterdam meteen op. Door het bij de markt trekken van de Lijnbaansgracht voor de kleine groentevletten werd de hele Marnixstraat in beslag genomen en het verkeer werd door de absolute anarchie van de marktkooplieden volledig lamgelegd.
Nog meer markten: Beschuitmarkt, zuivelmarkt, Gevogelte- en wildmarkt (kippenmarkt), aardappelmarkt, groentemarkt, fruitmarkten, pensmarkt, korenmarkt, turfmarkt, brandhoutmarkt, manufacturenmarkt, bloemenmarkt, boommarkt, boeken- en prentenmarkt, metaalwarenmarkt, stromarkt, hooimarkt, stoelenmarkt, hoepenmarkt (houten singels voor de vaten), mandenmarkt, pijpenmarkt, postzegelmarkt, kuiperijenmarkt, huishoudelijke artikelen. voddenmarkt, laddermarkt, kleding- en textielmarkt, rommelmarkt, houtmarkt,ossenmarkt, varkensmarkt, schapenmarkt, zoutmarkt (Zoutsteeg), zandmarkt (bouw-en ophoogzand), vlasmarkt, slijpstenenmarkt, biermarkt.

Bekijk de foto's en tekeningen:
markten

bron: beeldbank amsterdam
Wednesday the 13th. Joomla 2.5 templates. Custom text here