kloosters in Amsterdam 2

Afdrukken

1=Oude Nonnenklooster
2=Kartuizerklooster
3=Regulierenklooster
4=Sint Claraconvent
5=Agnietenklooster

6=NieuweNonnenklooster
7=Margrietenklooster
8=Paulusbroedersklooster
9=Sin
t Ceciliaklooster
10=Sin
t Maria Magdalenaklooster
11. Sint Catrijnenklooster
12=SintLuciënklooster
13=Sin
t Mariaklooster
14=Sint Ursulaklooster
15=Sint Barbaraklooster
16=Sint Geertruidenklooster
17=Cellebroedersklooster

18=Bethaniënklooster
19=Minderbroedersklooster
20=Sint Alexiusklooster
21=Clarissenklooster
22=Begijnenhof
A=Sint Elisabethgasthuis
B=HeiligeSacramentsgasthuis
C=Sint Jorisgasthuis
D=Sint Pietersgasthuis
E=Onze Lieve Vrouwegasthuis
F=SintNicolaasgasthuis

20.Sint Alexiusklooster of Cellezustersklooster.
20Cellezustersklooster op de Oudezijds Achterburgwal ter hoogte van de huidige nummers 29-39, 1544

Het Sint Alexiusklooster is beter bekend als het Cellezustersklooster. Het lag tussen de O.Z.Achterburgwal en de Zeedijk benoorden de Molensteeg. Het waren lekenzusters die naar de regel van Augustinus leefden. Het is gesticht op 20 juni 1475, ondanks de weerstand van het stadsbestuur tegen uitbreiding van het aantal kloosters. Dat deze zusters toch getolereerd werden had te maken met hun hoofdbezigheid: de ziekenverzorging in het algemeen en die van pestlijders in het bijzonder, wat dan wel een vestigingsvoorwaarde was. Verdere voorwaarden waren dat er maximaal 13 zusters kwamen en dat er geen kapel, kerk of altaar opgericht werden. In 1493 bemoeide het kapittel in Den Haag zich ermee en gaf toestemming voor 30 zusters en een kerk. Dat paste de zusters beter maar in een keur van 1498 verbood de stad daarop alle timmerlieden en metselaars voor het klooster werkzaamheden te verrichten. In weerwil van de stedelijke verordeningen kwam op het terrein een kapel. Eerder verrezen een nonnenhuis aan de O.Z.Achterburgwal en het ziekenhuis aan de Zeedijk, t/h van het latere huisnummer 114, waar nu de Chinese tempel staat. Het was het armste klooster van de stad; behalve zieken verzorgen deed men aan handwerken, verhuurde huisjes die aan de Molensteeg stonden (niet alle huizen rondom het klooster waren eigendom) en deed tegen betaling de was voor passagierende zeelui. Het klooster werd als een der weinigen niet direct na de Alteratie opgeheven en dat had alles te maken met het voor de stad nuttige werk. Wel werd het religieuze karakter teruggedrongen en delen van het klooster verkocht (o.a.het patershuis).
Bij opheffing van de orde had het klooster een schuld van ƒ460,-.
In 1616 werd alsnog het hele complex verkocht, waarschijnlijk omdat de activiteiten van de zusters naar het nieuwe t.Pietersgasthuis verplaatst werden. Of zij meeverhuisden, vertelt het verhaal niet. In de loop van de 17e eeuw zie je op stadsplattegronden steeds meer bebouwing op het terrein verschijnen en is er vandaag niets meer van het klooster over.


21. Clarissenklooster
21HeiligewegClarissenklooster

Een van de laatste in Amsterdam gevestigde kloosters is het Clarissenklooster, van de Tweede Orde der Franciscanen. Het initiatief kwam van een rijke Amsterdammer, Jan de Wael, in 1494. Het verzoek werd achtereenvolgens ingewilligd door keizer Maximiliaan op 6 oktober 1494, Paus Alexander VI op 31 maart 1495, de bisschop van Utrecht eind 1495 en een pauselijke commissie het jaar daarop. De paus besliste dat een aantal Clarissen uit Delft naar Amsterdam overgeplaatst zouden worden om de zusters in te wijden in de regels van de orde. De benodigde grond werd verworven aan de rand van de stad op een terrein omgeven door Kalverstraat, Heiligeweg en Singel. De Amsterdamse raad blokkeerde de vestiging echter omdat de stad geen behoefte aan nog een bedelorde had.
Zij was van mening dat de burgerij voor het onderhoud zou moeten opdraaien als het klooster geen eigen inkomsten had. Bovendien vond men dat de kloosters met 1/3 van het stadsoppervlak al genoeg kostbare bouwgrond in beslag namen. Om ook daadwerkelijk te beletten dat de bouw van kloostergebouwen van start ging verbood de raad in 1498 en nog eens in 1499 op straffe van verbanning alle gilden bouwactiviteiten in opdracht van de orde. Dat kon niet voorkomen dat een aantal vrome vrouwen toch een religieuze gemeenschap vormden in enkele huizen op het terrein.
In 1509 werd de procedure nog eens herhaald en via het Hof van Holland kreeg men in 1513 zijn zin. De nonnen mochten niet meer dan 60 roeden (ruim 800m2) in gebruik nemen en wat ze intussen al meer bezaten diende binnen 3 maanden verkocht te worden op straffe van confiscatie. Bovendien mochten er maar maximaal 30 nonnen in het klooster verblijven; in 1513 waren dat er al 24 en in 1532 bleken dat er 32 te zijn, zonder gevolgen. Ten overstaan van notaris Van Borsselen en in bijzijn van een afgezant van het Hof van Holland stemden de nonnen in met de voorwaarden en was de stichting een feit. Na de Alteratie werd het klooster in 1579 formeel opgeheven maar bleven een aantal nonnen in een deel van het klooster wonen, zelfs aangevuld met nonnen van andere opgeheven kloosters. Daarvoor werden in de tuin huisjes gebouwd waaruit in latere eeuwen het Eerste-, Middelste- en Derde- plus Dwarsklooster ontstonden die het tot de bouw van de V&D- hal (1959) uithielden. Twee toegangen naar de straatjes kwamen op het Singel uit, een daarvan midden in
21Aalmoezeniershuis op het Singel tussen Heiligeweg en Munt
het zwaar verbouwde maar nog bestaande Aalmoezeniershuis, later Latijnseschool, Bevolkingsregister, politiebureau, enz. In het hoofdgebouw werd het Rasphuis ondergebracht, een tuchthuis voor mannen, waarvan de toegangspoort nog op de Heiligeweg te vinden is.
21poort van het Tucht- of Rasphuis aan de Heiligeweg, 1767
Na het Rasphuis werd er nog een zwembad in gevestigd. Het hele complex is uiteindelijk gesneuveld voor de V&D Plaza.
21poort van het Tucht- of Rasphuis aan de Heiligeweg, 1988
toegang tot het zwembad in 1988.


22. Begijnenhof
begijnhof-amsterdam
Het Begijnenhof was geen klooster, maar een religieuze woongemeenschap zoals waarschijnlijk heel veel kloosters ooit begonnen zijn. De begijnen legden slechts een gelofte van kuisheid af maar waren vrij elk moment het hof te verlaten, ook voorgoed om bijvoorbeeld te trouwen. De eerste vermelding stamt van 1307, waarin één enkel huis aan het Spui vermeld wordt. Omdat dit geen klooster was werd het na 1578 niet opgeheven; wat opgegeven werd was het strikte religieuze karakter van de woongemeenschap en dankzij dat bestaat het hof vandaag nog steeds. De kapel werd hen afgenomen en in 1607 aan de Engelse Presbyterianen ter beschikking gesteld en gaat sindsdien als Engelse kerk door ‘t leven. Tegenover die kapel werd de kosterij en een naastgelegen huis verbouwd tot schuilkerk, gewijd aan de H.H Johannes en Ursula, die vandaag nog in gebruik is. De hoofdingang van het hof was aan de Gedempte Begijnensloot en een tweede ingang was in de ZW-hoek, achter het houten huis en uitkomend op de hoek Spui/N.Z.Voorburgwal. Die is later vervangen door de huidige onderdoorgang naar het Spui. Een derde ingang was de doorgang in de NO-hoek naar het St.Luciënklooster waar de biechtvader van de begijnen huisde; die doorgang is nu voor publiek afgesloten.

http://www.begijnhofamsterdam.nl/het-begin


Gasthuizen

De gasthuizen met hun pest- en leprozenhuizen waren er niet allemaal gelijktijdig. Sommige weken uit voor andere bebouwing, verhuisden naar andere plekken in de stad of trokken bij een ander gasthuis in. Zo werd het Sint Pietersgasthuis een vergaarbak voor diverse gasthuizen om dan na 1635 Binnengasthuis te gaan heten. Met de pesthuizen ging dat evenzo; zodra zo’n huis door de oprukkende stad ingehaald was werd het verplaatst naar een nieuwe plek buiten de stad om daar opnieuw ingehaald te worden. Zo was het St.Nicolaasgasthuis de vergaarbak voor besmettelijk zieken tot het rond 1600 alsnog binnen de stad kwam te liggen. In 1630 werd de eerste steen gelegd voor een reusachtig nieuw pesthuis aan de Overtoomsevaart dat Buitengasthuis ging heten en werden alle eerdere pesthuizen ontruimd. Ook dat werd in de 19e eeuw weer ingehaald door de stad en werd een zwakzinnigengesticht. In 1893 werd het buiten gebruik gesteld nadat het Wilhelminagasthuis, vlak naast het Buitengasthuis gebouwd, in gebruik kwam.


A. Sint Elisabethgasthuis of Oude Gasthuis

Qua vermelding het oudste gasthuis van de stad is het Sint Elisabethgasthuis, gelegen achter het oude stadhuis van de stad, daar waar nu de Paleisstraat is.
ASint Elisabeths Gasthuis, 1640
ingang van Sint Elisabethgasthuis
De eerste vermelding van het gasthuis dateert van 1361. Het werd waarschijnlijk gesticht door een gilde of broederschap en het was uitsluitend voor mannen bestemd. Direct bij de stichting is ook sprake van een bayart, het nachtasiel, te vergelijken met onze “hulp voor onbehuisden”. Al in 1371 werden de lasten te zwaar en werd het bestuur overgedragen aan de rentmeesters van het Heilige Geestgasthuis, die uit kerkelijke bronnen konden putten. Of dat instituut al bestond of voor deze gelegenheid werd gesticht is onbekend. Behalve H. Geestgasthuis wordt het in de literatuur ook wel “Oude Gasthuis” genoemd.
De ouderdom van dit gasthuis maakte dat ze als eenling van de goedgeefsheid van de poorters profiteerde waardoor de financiën steeds rooskleurig waren. In de loop van de 15e eeuw kan echt gesproken worden van een rijke instelling, waarbij de regenten succesvol opereerden met de vele kleine legaten die binnen kwamen. Vanaf 1410 werden ook proveniers opgenomen en in 1450 werd de bayart ook ingericht voor vrouwen en kinderen; wat allemaal weer bijdroeg aan een gezond financieel klimaat.
In 1492/3 werd het Elisabethgasthuis samengevoegd met het Sint Pieters op Gansoord. Dat was omdat het stadhuis nodig uitbreiding behoefde en de gebouwen van het gasthuis die kon leveren. De gebouwen werden niet afgebroken maar aangepast en bleven staan tot ze voor de bouw van het nieuwe stadhuis moesten wijken. De schilderachtige entree van het gasthuis was nog vele decennia naast de vierschaar zichtbaar. De grote stadhuisbrand van 1652 heeft ook de laatste resten van het gasthuis met de grond gelijk gemaakt, maar die zouden enkele jaren later toch gesloopt zijn.


B. Heilige Sacramentsgasthuis
Tegenover de H. Sacramentskapel in de Kalverstraat, een grote trekpleister voor pelgrimerend Nederland in de middeleeuwen, lag het H.Sacramentsgasthuis. Het was tot nu toe niet mogelijk een afbeelding te vinden van dit gasthuis; op de bekende houtsnede van Cornelis Anthonisz komt op de plek waar het gestaan kan hebben één groot inpandig huis voor. Dat ligt tegen de Begijnensloot aan en kan daarom zowel het pesthuis als het gasthuis zelf zijn. Volgens Ir. R.Meischke is dit inderdaad het gasthuis, maar net na de vervaardiging van de kaart volgde een verbouwing tot Oudemannenhuis met in 1545 de nieuwbouw die later als jongenshuis deel ging uitmaken van het Burgerweeshuis. De grote binnenplaats van het jongenshuis is dan ook nog niet te bekennen. Ook schriftelijke informatie is zeer schaars, de oudste vermelding is van 1422. Het gasthuis kende, zoals gezegd, een apart pesthuis dat aan de Begijnensloot stond. Ergens in de 15e eeuw is het een oude mannen- en vrouwenhuis geworden, waarschijnlijk hetzelfde huis dat in 1579 aan ‘t Burgerweeshuis overgedragen werd en in 1632 tot jongenshuis omgebouwd werd.
Het gasthuis blijkt niet populair te zijn geweest bij de Amsterdamse poorters. Waar andere gasthuizen drijven op legaten en inkoopsommen moet dit gasthuis het hebben van de populariteit van de H.Sacramentskapel en de enkele provenier die intrad.


C. Sint Jorisgasthuis
Bij de stichting, in de 14e eeuw, lag het Sint Jorisgasthuis buiten de stad. De eerste vermelding is voorlopig uit 1399 maar het zal ouder zijn. Door de vogelvluchtkaart van Cornelis Anthonisz weten we precies waar het gasthuis lag, nl. in de vierhoek Rokin, St.Jorissteeg, Kalverstraat en Olieslagerssteeg. Verder weten we bijzonder weinig van dit gasthuis maar het is zeker dat het steeds bedoeld was voor besmettelijke zieken, in eerste instantie lepralijders. Door de stadsuitbreiding kwam het in 1429 binnen de stad te liggen en in 1450 was het gasthuis geheel ingebouwd. Daarvóór al waren de zieken naar het Sint Nicolaasgasthuis verhuisd, aan de andere kant van de Amstel (zie F). Het Sint Jorisgasthuis werd Sint Jorishof en herbergde een aantal proveniers (kostgangers), die in 1579 naar het Paulusbroedersklooster verhuisden. Daar kregen ze de huisjes rond het voormalige kloosterhof ter beschikking dat sinds die tijd als Sint Jorishof door het leven gaat. Later deed de kapel van het gasthuis nog eeuwen dienst als verblijf voor het Sint Jorisgilde (meubelmakers en schrijnwerkers) en werd op de 18e eeuwse wijkkaart aangeduid met “Kistenma- kerspand”.
In 1934 heeft V&D hier zijn grote warenhuis gebouwd, waarbij de St.Jorissteeg afgesloten werd.
Dit gasthuis begon en bleef arm, omdat het niet gelieerd was met een populaire kapel of rijk gilde. De optie dat de stad zelf dit gasthuis stichtte wordt opengehouden. De bezittingen die de lepralijders, die in dit huis terechtkwamen, meebrachten waren de kurk waarop het gasthuis draaide. Opvallend gegeven, dat uit onderzoeken naar voren komt, is dat bijna elke patiënt wel iets van waarde inbracht, al was ‘t maar een weilandje buiten de stad.


D. Sint Pietersgasthuis
Het begon aan de Nes, even benoorden de Brakke Grond; eerst tussen Rokin en Nes maar dat gebouw sneuvelde waarschijn- lijk in een der stadsbranden. Het werd herbouwd aan de andere kant van de Nes, waar het complex de omvang kreeg als op de af beelding boven. Bij het gasthuis werd een pesthuis gebouwd, eerst op het eigen terrein, later een zuidelijker tussen Rokin en Nes naast het klooster van de Cellebroeders, die zich ook over de verpleging en begraving van de pestlijders ontfermden. Toen in 1492 het St.Elisabethgasthuis introk werd er flink uitgebreid en in 1504 ook een bayart (daklozenopvang) toegevoegd.
Dstpietersgasthuis, 1544
In 1496 verdwenen de kinderen uit het asiel naar een apart gebouw in de buurt van de St.Anthoniespoort. De kapel van het gilde was veel ouder dan het gasthuis en had voor het zuidoosten van de stad ook een functie als godshuis. Na de Alteratie kreeg het St.Pieters een nieuwe locatie toe- gewezen, de gezamenlijke kloosters van de Oude en Nieuwe Nonnen aan de Grimburgwal. Na ongeveer 3 jaar trok daar het Onze Lieve Vrouwegasthuis bij het St.Pieters in.

De verdere geschiedenis van het gasthuis op dat nieuwe adres staat onder 1. Oude Nonnenklooster (Binnengasthuis) vermeld.
DPoortje Sint PietersgasthuisOudezijds Achterburgwal 231
Poortje Sint Pietersgasthuis, Oudezijds Achterburgwal 231.
Het gasthuis was gelieerd aan het St.Pietersgilde van de Viskopers en Vleeshouwers, die ook de St.Pieterskapel onderhielden. De zuidelijkste vleugel van het St.Pieters werd na de verhuizing omgevormd tot St.Pietershal, de Grote Vleeshal, tegenover de Kleine Vleeshal op het terrein van het Margrietenklooster. Tussen beide vleeshallen dreven de viskopers hun Rivier- of Boerenvismarkt, niet te verwarren met de grote(zee)vismarkt op de Vissersdam, daar waar nu het Nationaal Monument staat en door hetzelfde gilde werd gedreven. De bijgebouwen van het gasthuis werden vervangen door woonhuizen. De vleeshal werd later o.a. Stadsdrukkerij en met het vm. kerkhof in 1930 vervangen door nieuwbouw voor de Gemeentegiro. De naam “vleeshal” bleef nog eeuwen in gebruik voor de St.Pietershal en in het Girokantoor is ter nagedachtenis aan de vroegere functie een gevelsteen ingemetseld.


E. Onze Lieve Vrouwegasthuis
Onze Lieve Vrouwegasthuis aan de Nieuwendijk, schuin tegenover de O.L.Vrouwekapel. Uit opgravingen in 1987 weten we intussen dat het best eens kan zijn dat het O.L.Vrouwegasthuis ouder was dan het St. Elisabethgasthuis, dat voor ‘t eerst vermeld wordt in 1361. De bouwsporen en vondsten van het OLV wijzen namelijk op een bouwperiode 1325-1350. Het was niet erg solide gebouwd wat een herbouw, nu een dubbelpand, begin 15e eeuw nodig maakte
Ook bij dit O.L.Vrouwegasthuis is sprake van een bayart voor daklozen, waar tot maximaal 3 dagen en nachten asiel verleend werd. Het gasthuis onderhield nauwe banden met de O.L.Vrouwekapel (overzijde Nieuwendijk) met bijbehorende broederschap. De kapel had een functie als godshuis voor de buurt tot in 1408 de Nieuwe Kerk die overnam. Dat gaf meteen een deuk in de financiering van het gasthuis dat verder een tamelijk kwijnend bestaan leidde. Na de Alteratie werden de zieken van het gasthuis in het Sint Pietersgasthuis (zie onder 1. Oude Nonnenklooster) ondergebracht en heeft het gebouw plaatsgemaakt voor woonhuizen en in de 20e eeuw bioscoop Royal.


F. Sint Nicolaasgasthuis of Anthoniusgasthuis of Leprozenhuis
Het Sint Nicolaasgasthuis of Leprozenhuis was ruim buiten de stad gelegen aan de Sint Anthoniesdijk, op de plaats waar nu het Mr. Visserplein is. Het is gesticht vóór 1388, toen het voor ‘t eerst als St.Anthonisgasthuis genoemd werd van het St.Anthonisgilde der snijders, droogscheerders en lakenkooplieden, wat een omvangrijk en daardoor rijk gilde was. In 1402 valt de naam “Synte Niclaes gasthuus” voor ‘t eerst. Begonnen als proveniershuis (betalende kostgangers) voor mogelijk de eigen gildeleden kreeg het bij stadsuitbreidingen de besmettelijke zieken toegeschoven van gasthuizen die binnen de stads- muren terechtgekomen waren, zoals het Sint Jorisgasthuis in 1480. Tot het door de stadsuitbreiding van 1593 zelf binnen de stad kwam te liggen en de zieken ook van hier verhuisden; eerst naar het noodpesthuis (1617 een leegstaande ijzergieterij) en in 1635 naar het nieuw gebouwde pesthuis of liever: Buitengasthuis, beiden aan de Overtoomsevaart. Het gasthuis herbergde toen een mix van zwakzinnigen en proveniers maar werd in 1697 uitsluitend proveniershuis dat tot 1866 heeft bestaan.
FLeprozenhuis op de plaats van het huidige Mr Visserplein, met een aantal van de proveniers die daar wonen
Leprozenhuis op de plaats van het huidige Mr Visserplein, met een aantal van de proveniers die daar wonen.
Toen het complex helemaal ingebouwd raakte kwam er een poort in de Lazarussteeg tussen Jodenbreestraat en Houtgracht; die werd gesloopt voor het Mr.Visserplein, maar na de opknapbeurt van de Nieuwmarktbuurt opnieuw opgericht aan de St.Anthoniessluis. In 1859 besloot de stad het complex te slopen en een andere bestemming te geven. Door de halstarrigheid van één enkele provenierster, die elke regeling weigerde, duurde het tot 1865 voor er gesloopt kon worden. Na de sloop verrezen op die plek het politiebureau J.D.Meijerplein en het physiologisch laboratorium, die met de aanleg van het Mr. Visserplein eveneens verdwenen.

Straatnamen als Lazarussteeg en Leprozengracht zijn door hun onsmakelijkheid uit het register verdwenen.
FBinnenplaats Leprozenhuis, links in het verschiet dak van de Portugese Synagoge, 1821
Binnenplaats Leprozenhuis, links in het verschiet dak van de Portugese Synagoge, 1821.
De eerste verdween voor het Mr. Visserplein en de laatste is gedempt en heet nu Waterlooplein.

Lepralijders, of zoals de Amsterdammer ze toen noemde: leprozen, mochten zich niet zomaar op straat begeven. Als ze dat al mochten hadden zij een klepper bij zich om de weggebruikers te waarschuwen. Eens per jaar, op Koppermaandag, mochten zij in optocht door de stad geld ophalen voor het gasthuis.
Er is veel gegist naar de oorsprong van de benamingen “Sint Anthonies” in dit gedeelte van de stad. Het meest voor de hand ligt toch de veronderstelling dat deze ontstaan zijn uit een vestiging van de hospitaalorde der Antonieten. Deze kloosterorde, de eerste in Europa (4e eeuw), dankte zijn succes aan het vinden van een remedie tegen het “Sint-Anthoniesvuur” ofwel ergotisme. Die ziekte werd veroorzaakt door het eten van voedsel (brood, brei) dat gemaakt was van beschimmeld graan, meestal rogge. De gevolgen waren stremming van de bloedcirculatie, gangreen en ten slotte de dood. De remedie bestond uit het weglaten van rogge uit het dieet, het drinken van wijn (vaatverwijding) en lichaamsbeweging. De orde bouwde niet zo zeer een klooster, de hoofdmoot was altijd een hospitaal. Daarin werden, behalve de lijders aan eerder genoemd anthoniesvuur, ook lepralijders verpleegd. De orde raakte over zijn hoogtepunt, waarop meer dan 350 hospitalen in Europa existeerden, heen voordat Amsterdam zich tot stad ontwikkelde. Wat bleef was het hospitaal dat verder door een broederschap werd bestierd.

Bronnen:

  1. www.theobakker.net
  2. Eeghen,I.H.van, Vrouwenkloosters en Begijnhof in Amsterdam (dissertatie),Amsterdam 1941.
  3. Melker, B.R.de, Metamorfose van stad en devotie (dissertatie), Amsterdam 2002.
  4. Schilder,M.e.a.,Amsterdamse kloosters in de Middeleeuwen (tentoonstellingscatalogus), Amsterdam 1997.

 

Wednesday the 13th. Joomla 2.5 templates. Custom text here