kloosters in Amsterdam

Afdrukken

1=Oude Nonnenklooster
2=Kartuizerklooster
3=Regulierenklooster
4=Sint Claraconvent
5=Agnietenklooster

6=NieuweNonnenklooster
7=Margrietenklooster
8=Paulusbroedersklooster
9=Sin
t Ceciliaklooster
10=Sin
t Maria Magdalenaklooster
11. Sint Catrijnenklooster
12=SintLuciënklooster
13=Sin
t Mariaklooster
14=Sint Ursulaklooster
15=Sint Barbaraklooster
16=Sint Geertruidenklooster
17=Cellebroedersklooster

18=Bethaniënklooster
19=Minderbroedersklooster
20=Sint Alexiusklooster
21=Clarissenklooster
22=Begijnenhof
A=Sint Elisabethgasthuis
B=HeiligeSacramentsgasthuis
C=Sint Jorisgasthuis
D=Sint Pietersgasthuis
E=OnzeLieveVrouwegasthuis
F=SintNicolaasgasthuis


Middeleeuwse kloosters, Begijnenhof en gasthuizen in Amsterdam.
Eind 14e eeuw verschenen in de stad de eerste kloosters. Honderd jaar later dan in andere steden in Holland, maar op dat moment leven er zo'n 3000 mensen in Amsterdam.
In het zuid-oosten van de middeleeuwse stad is er een concentratie van kloosters. De bodem was hier moerassig. Dus verhogen van de grond was noodzakelijk. De stad had de middelen (financiën en materialen) niet. Voor de kloosters was het daarom goedkoop om daar grond te verkrijgen.
Er waren maar twee kloosterorden goed vertegenwoordigd: de Franciscanen, nl. Minderbroeders, Clarissen en de Derde Orde, een lekenorde, waartoe het meerendeel van de vrouwenconventen behoorde en enkele kloosters, die volgens de regel van Augustinus leefden, de Regulieren.
Begin 15e eeuw gingen diverse religieuze leefgemeenschappen onder lichte dwang verder als lekenconventen van de Derde Orde der Franciscanen, die slechts een beperkte gelofte aflegden en makkelijk tussen de burgerij verkeerden. Zij hielden zich, naast contemplatie, o.a. met zieken-, wezen- en armenzorg bezig.
Begijnen bleven zo mogelijk nog wereldser en legden in het geval van het Begijnenhof slechts een gelofte van kuisheid af, maar konden elk moment weer terug naar de "buitenwereld".
Gasthuizen waren oorspronkelijk bedoeld om pelgrims tijdelijk onderdak en verzorging te bieden. Door het Mirakel van Amsterdam (1345) kwamen veel pelgrims naar de stad met risico van overdraging van besmettelijke ziekten. Vandaar dat dat die gasthuizen vaak ziekenhuizen werden en soms zelfs pesthuis konden zijn. Ze waren door particulieren (broederschappen en soms gilden) gesticht en verkregen hun budget uit legaten en schenkingen.
Twee grote stadsbranden (1421 en 1452) verwoestten driekwart van de stad en 14 kloosters. Op deze kloosterterreinen zijn later andere gebouwen geplaatst.
Na 1578 (de Alteratie) werd het katholieke stadsbestuur de stad uit gejaagd. Alle bezittingen van kerken en kloosters werden in beslag genomen en de uitoefening van het katholieke geloof werd ernstig beperkt.


1.Oude Nonnenklooster of Sint Mariënveld ten Nyen Lichte of Domus Campi Beatae Mariae.

De woongemeenschap bestond al enige tijd toen in 1386 drie poorters voor de bewoners een erf pachtten in de ‘uuterste nesse’, de driehoek ten zuiden van de Grim. In 1389 verschenen 46 zusters met de door hun gekozen 4 voogden voor de schepenen van Amsterdam om een zusterhuis te stichten. Een der voogden was Gijsbert Dou(we), seculier priester, steenrijk en behept met het virus van de Moderne Devotie, de religieuze beweging van Geert Groote. Datzelfde jaar nog bewoog Dou twee rijke weduwen ertoe de paus te verzoeken over te mogen gaan tot de stichting van een klooster voor 12 reguliere kanunnikessen van St.Augustinus. Van de initiatiefneemsters van begin dat jaar is dan geen spoor meer te vinden; het is een elitair gezelschap geworden, dat bereid was de hoge kosten van een kloosterstichting te dragen. De toestemming van de paus kwam in 1391, die van de landsheer Albrecht van Beieren in 1393 en de bevestiging van de stad Amsterdam eveneens in 1393.
Door deze geslaagde coupe van Dou valt er te discussiëren over de stichtingsdatum van dit klooster; is dat 1389 voor het zusterhuis der Derde Orde of 1393 voor het Augustinessenklooster? Door Gijsbert Dou kwamen de nonnen op het spoor van de Moderne Devotie en uiteindelijk maakten ze vanaf 1400 deel uit van het kapittel van Windesheim. Intreding stond alleen open voor kapitaalkrachtige vrouwen wat inhield dat van de 46 eerste zusters er 38 afvloeiden. Die verdwenen naar burgerhuizen elders, maar daaruit zijn rond 1397 nieuwe woongemeenschappen ontstaan, waaruit later Derde Orde-kloosters voortkwamen als het St.Clara-, St.Agnes-, St.Cecilia- en St.Catharinaklooster, die de benodigde grond tegen schappelijke voorwaarden of zelfs voor niets van het Oude Nonnenklooster in pacht kregen.
In 1401 werd de kapel gewijd. Omdat de inkomsten nog steeds onvoldoende waren verhuurde Dou en zijn orde terreinen aan de Nes aan eerdergenoemde zusters, wat een hele concentratie van kloosters met contemplatieven opleverde in dat stukje Amsterdam. Op het kloosterterrein zelf werden nog terreinen verkocht waarop in 1522 een stadstimmerwerf (Scaffery) en in 1545 een brouwerij werden gevestigd. Naast de kanunnikessen was er nog wel plaats voor werkzusters ofwel conversinnen. Het klooster wist, als een der eerste kloosters van de stad, een groot aantal landerijen en huizen zowel binnen als buiten de stad te verwerven, wat maakte dat het St.Mariënveld het rijkste klooster van Amsterdam werd. Halverwege de 16e eeuw kwam op het wufte leven van de rijke nonnen veel commentaar van andere geestelijke instellingen en werd zelfs aan overheden verzocht dit “bordeel” te sluiten. De nonnen ontvingen gasten en familie, ook mannen!
Met de Alteratie in 1578 werd het klooster geconfisqueerd, de nonnen, samen met de Nieuwe Nonnen zo’n 100 in getal, werden schadeloos gesteld, kregen wat huisjes op het terrein om verder te bewonen plus een traktement tot aan hun dood. De toegangspoort tot het oude klooster werd in 1603 vernieuwd en in 1736 voorzien van beelden. Dit geheel is vandaag nog te bewonderen.
01grimburgwal10
Binnengasthuis (Grimburgwal 10)
Na de Alteratie werd dit complex, samen met dat van de Nieuwe Nonnen, overgedragen aan het Sint Pietersgasthuis, dat na 1635 Binnengasthuis ging heten. In 1579 verhuisde het Sint Pieters vanuit de Nes en in 1582 volgde het O.L.Vrouwegasthuis van de Nieuwendijk. Op het terrein werd een nieuw pesthuis gebouwd, dat na 1631 aan de pas gerooide Nieuwe Doelenstraat kwam te liggen. Toen in 1635 de patiënten van dit pesthuis naar het nieuw gebouwde Buiten-gasthuis aan de Overtoomsevaart vertrokken werd de naam van het complex gewijzigd in Binnen-gasthuis.
In 1614 werd op het gasthuisterrein nog een stadsbank gebouwd en in 1647 (op de plek van de stadstimmerwerf) het Oudezijds Heerenlogement, waar ook veilingen georganiseerd werden. Ook bij dit gasthuis werd opnieuw een bayart (daklozenopvang) ingericht met een eigen toegang vanaf de Oude Turfmarkt. Vanaf 1730 werd er veel verbouwd en vernieuwd en in 1828 werd het BG gekoppeld aan de faculteit geneeskunde van het Atheneum Illustre. In de 19e eeuw ging het hele complex nog eens op de schop en reikte bijvoorbeeld de nieuw gebouwde kraamkliniek tot aan de Oude Turfmarkt. Daarvoor werd de Grimnessesluis afgebroken en vervangen.


2. Kartuizerklooster of Sint Andries ter Zaliger Haven

Dirk Sloyer, eveneens seculier priester in de stad en nog rijker dan Dou, hielp het Kartuizerklooster van de grond. Geholpen door zijn kapitaal, door landsheerlijke privileges en vooral financiële steun van landsheer Albrecht van Beieren. Sloyer was eerst van plan geweest om met Gijsbert Dou een klooster van Augustijner koorheren te stichten maar de twee braken de samenwerking om onbekende redenen af en Sloyer richtte zich daarna op de stichting van een Kartuizer kloosterbouw te bespoedigen. Die populariteit had iets met politiek te maken, namelijk met de Hoekse en Kabeljauwse twisten. De tegenpool was het Regulierenklooster der Augustijnen en de welstand van beide kloosters variëerde met de strijd van de twistende partijen.
Het klooster bevond zich buiten de stadsvrijheid, in de huidige Jordaan. Deze locatie maakte ook dat het klooster onbeschermd was toen tijdens de Opstand Amsterdam onder vuur kwam te liggen. In 1566 werd het klooster door beeldenstormers voor ‘t eerst geplunderd, in 1572 door Lumey in brand gestoken en in 1577 door Sonoy bezet en definitief vernietigd. Na 1578 werden de resten geconfisqueerd maar de zes overgebleven monniken mochten op het terrein blijven wonen, waar de laatste in 1614 overleed. De bezittingen vervielen aan het Burgerweeshuis, toen nog in de Kalverstraat. De resten van het klooster werden na de Alteratie aan diverse particulieren verhuurd, hoofdzakelijk met een agrarische bestemming. De cellen dienden oa. als woonplaats voor koeienknechten. Tot 1600 was het klooster alleen toegankelijk via de Haarlemmerdijk maar in 1600 kwam er een directere toegang vanuit de stad. Het kloosterhof werd in 1602 als pestkerkhof ingericht (nu: Kartuizerplantsoen) en in 1614 kwamen in het noordelijkste deel een bronsgieterij en Huiszittenweduwenhof.
Door de derde stadsuitleg van 1610-1615 was het klooster binnen de stadsmuren komen te liggen. De afwijkende lengterichting van de Kartuizerstraat laat zien dat bij het rooien van de Jordaanstraten dit kloostercomplex weliswaar vernield maar de structuur nog niet verdwenen was. Het 30ha grote grondbezit reikte van Kostverloren-  tot  Kartuizerwetering (nu: Brouwersgracht). Door dit perceel liepen dwarssloten, de 10 voorlopers van Linden- en Anjeliersgracht (nu: Westerstraat). Op het voormalige kloosterterrein vindt nu de Sociale Academie een plek, de rest is bebouwd met woonhuizen. Het kerkhof is nu een kinderspeelplaats.
Lees ook:

http://www.bma.amsterdam.nl/archeologie/vindplaatsen_in/vindplaatsen/karthuizersstraat


 

3. Regulierenklooster

Gijsbert Dou’s Regulierenklooster kwam er uiteindelijk in december 1395. Zoals elders geschreven leven Regulieren volgens de regel van Augustinus. Deze kloosterorde moest van de grond af opgebouwd worden, wat een flink kapitaal vergde dat Dou alleen niet kon opbrengen. Hij deed het verzoek aan de paus dan ook samen met Dirk Sloyer. Een coupe zoals die bij het Oude Nonnenklooster wel slaagde lukte dit keer niet; Sloyer liet zich niet zonder meer voor Dou’s karretje spannen en begon zijn eigen Kartuizerklooster,zoals we hierboven al konden lezen. De stichting der Regulieren leed onder de populariteit van het Karthuizerklooster en de financiering bleef daardoor problematisch; de eerste 10 jaren was de orde geheel afhankelijk van het Dounetwerk. In 1405  keerde  het  tij toen  de  belangrijkste   weldoener   van de Kartuizers in het kader van de Hoekse   en Kabeljauwse Twisten geliquideerd werd en de Regulieren meer in beeld kwamen. Opvallend is dat het Regulierenklooster in de parochie Nieuwer-Amstel werd gevestigd. In 1532 werd het klooster door een enorme brand in de as gelegd. Toen de Regulieren de stad toestemming vroegen om het klooster binnen de stadsmuren te mogen herbouwen werd die botweg geweigerd waarop zij het beter achtten zich in het Regulierenklooster te Heiloo “in te kopen” dan op dezelfde plek te herbouwen. Na de brand werd het kloosterterrein herschapen in een lusthof en boomgaard, in dit Reguliershof vond in 1638 de eerste Hortus Medicus een plek, totdat die in 1682 een definitieve locatie in de Plantage betrok. Dat was een kruidentuin met op z’n top bijna 800 medicinale planten, bedoeld om apothekers te laten oefenen in het herkennen van die planten.Bij het graven van de Keizersgracht (1699 in het kader van de vierde, in 1656 begonnen stadsuitleg) en het bouwen van brug nr.37 kwam men het klooster weer tegen.

De gevonden fundamenten van de kapel van het klooster  geven precies aan waar die gestaan heeft.


4. Sint Claraconvent

De stichtingsdatum van het Sint Claraconvent blijft duister maar men houdt het op 1397. Het kloosterterrein is het zuidelijkste blok tussen Nes en O.Z.Voorburgwal maar net niet helemaal tot aan de Grimburgwal Dat komt waarschijnlijk doordat op die strook tot 1425 de stadswal lag. Het klooster was van de Derde Orde der Franciscanen en aangesloten bij het kapittel van Utrecht. Het bouwerf dankten zij aan de Oude Nonnen van Gijsbert Dou, die een woning op het kloostererf van St. Clara behield. Waarschijnlijk betaalden ze zelfs geen pacht voor het grondstuk. Later deelde het klooster dit erf met het St.Barbaraklooster, die het noordelijke gedeelte in gebruik nam.Na de Alteratie in 1578 bleven de zusters op het terrein wonen. In 1585 werd de Sint Clarenstraat gerooid, ook wel Zilversteegje genoemd, dat we sinds 1637 als Kuiperstraat kennen. Dwars daarop, om een uitgang naar de Grimburgwal te hebben, liep een steeg die we vandaag als Gebed Zonder End kennen. Dat is dan ook alles dat ons aan dit klooster herinnert. 


5. Agnietenklooster

Het Agnietenklooster of het Sint Agnesconvent was een klooster van de Derde Orde der Franciscanen, dat op 21 januari 1397 werd gesticht. Vanaf 1458 namen zij als Reguliere kanunnikessen de regel van Augustinus aan en sloten zich aan bij het kapittel van Sion. In 1452 werd het Agnietenklooster met nog 13 anderen nagenoeg volledig in de as gelegd. Als sluitstuk van de herbouw werd in 1470 de nieuwe kapel gewijd. Dat is de kapel die er nu nog steeds staat en in gebruik is als Universiteitsmuseum van de UvA.
Na de Alteratie werd het klooster in beslag genomen en successievelijk afgebroken om plaats te maken voor woonhuizen. De kapel bleef, als gezegd, staan. Daarin werd in de beneden- verdieping een magazijn van de Admiraliteit ondergebracht, dat er zelfs bleef toen in 1632 op de twee verdiepingen daar- boven het Atheneum Illustre gevestigd werd. Behalve deze “Doorlughtige School” werd ook de Stadsboekerij hierheen verplaatst, een bibliotheek waarin de gezamenlijke geconfisqueerde kloosterbibliotheken ondergebracht waren.

Nu:Oudezijds Voorburgwal 231


6.Nieuwe Nonnenklooster of Sint Dionysius ten Huse ter Lelyen of Convent der Susteren van de Order der Penitencien Sinte Franciscus ten Huse ter Lelyen ‘t Sinte Dionysius

Dit was een klooster der Derde Orde der Franciscanen. Gedurende de 15e eeuw ging het klooster, na enkele afwijzingen, over op de regel van Augustinus.
Het kloostercomplex bevond zich aan de uiterste rand van de stad, de “uuterste nesse” en werd van het Oude Nonnenklooster gescheiden door de Nonnensloot of -vaart . Het werd gesticht in 1403.

Het klooster had meerdere ingangen op de Turfmarkt, een daarvan met een poort in de Kerckganck met een beeltenis van Dionysius, met het afgehakte hoofd onder de arm In 1504 werd de Bayart aan het klooster toegevoegd, een gasthuis voor passanten. Van de laatste 5 jaar voor de Alteratie is de financiele administratie bewaard gebleven, wat inzicht geeft in de moeizame strijd om het voortbestaan van een Amsterdams klooster tijdens de Opstand. De hoofdinkomsten uit pachtsommen over de uitgebreide bezittingen in Noord-Holland vielen met de jaren weg zodra die streek naar het Oranjekamp overging. Van garenspinnen gingen de nonnen over op weven van laken met ingehuurd personeel en aansluitend deden ze het zelf. Grote delen van de kloostergebouwen werden verhuurd voor opslag en bewoning, daarna werd ook nog de kloosterboomgaard verhuurd.
Met de Alteratie in 1578 werd het klooster opgeheven. Bij het Oude Nonnenklooster werd al beschreven dat de nonnen op het terrein bleven wonen en een alimentatie kregen. Wat er daarna met het kloostercomplex gebeurde vindt u bij het Oude Nonnenklooster (1) onder Binnengasthuis vermeld, omdat beide kloosters in handen kwamen van het Sint Pietersgast- huis dat er successievelijk een echt ziekenhuis van maakte.
6aAchterburgwalOudezijds235


Zie ook:
http://www.bma.amsterdam.nl/archeologie/vindplaatsen_in/vindplaatsen/oude_turfmarkt


7. Margrietenklooster

Het Margrietenklooster of het Sint Margarethaconvent werd gesticht in 1406. Het klooster was van de Derde Orde der Franciscanen en aangesloten bij het kapittel van Utrecht en nauw gelieerd aan het Gijsbert Dou-netwerk. Het was het enige klooster in Gansoord, d.i. de Nes benoorden de Lombardstegen. In het zuiden grensde het aan de Vogelenzang, een natuurlijke veenplas die tot 1354 de stadsgrens uitmaakte. Die plas werd steeds verder drooggemaakt en verkaveld totdat uiteindelijk slechts een spuisloot overbleef. Het klooster begon enkele tientallen meters ten zuiden van de St.Pieterskapel aan de O.Z.Voorburgwal, in en simpel woonhuis op een achtererf dat zij huurden voor 97 jaar, maar in 1423 al cadeau kregen, plus nog een erf op Gansoord. Ten zuiden daarvan hadden de zusters al een grondstuk in pacht van het St.Nicolaasgasthuis. In 1415 werd begonnen met de bouw van een kapel die in 1419 gewijd werd. Waarschijnlijk was die eerste kapel afgebrand in een der stadsbranden in de 15e eeuw. Het kloostercomplex nam op zijn toppunt de vierhoek in beslag tussen Nes, Enge Lombardsteeg, O.Z.Voorburgwal en     St.Pieterhalsteeg waardoor het klooster aan het M.Magdalenaklooster grensde. In het noorden grensde het aan het oude St.Pietersgasthuis en op beide complexen werden na de Alteratie de grote en kleine vleeshal ingericht, met daar tussenin de Boerenvismarkt. De zusters bleven na 1578 op het complex wonen. De plattegrond onder geeft de situatie in 1597 weer, zo’n 20 jaar na de Alteratie. In de verbouwde kapel van het Margrietenklooster was de kleine vleeshal ingericht, met in een deel van de bovenverdieping de zetel van de Rederijkerskamer ‘De Egelantier’ en in het andere deel de “snijkamer” van het chirurgijnsgilde, waar o.a. professor Tulp zijn anatomische lessen gaf.

Op de plek van het klooster kwam (mogelijk in 1624) de Brakke Grond (nu: Vlaams Cultureel Centrum). De Brakke Grond werd gesticht als chique veilinglokaal en verkoophuis van om. koffie, thee, tabak, suiker, rijst en manufacturen.Verder was er op het vm. kloosterterrein een drukkerij gevestigd die o.a. de Amsterdamse Courant drukte. Het complex kende ook een ingang aan de O.Z.Voorburgwal, tussen nrs. 290 en 298, via de vm. Engelsepoortsteeg. De poort in die steeg vermeld “De Brakke Grond-1624” maar dat jaartal als stichtingsjaar van de Brakke Grond is dubieus; de poort is in 1882 nieuw in de steeg gebouwd toen Van Es, eigenaar van zowel drukkerij als het veilinggebouw, de Engelsepoortsteeg van de stad kocht en met die poort afsloot. De kloosterhof en de in 1779 afgebroken kapel bevonden zich waar nu het pleintje aan de Nes voor de ingang van het theater is.


8. Paulusbroedersklooster

Het Sint Paulusbroedersklooster was een tertianenconvent, Derde Orde der Franciscanen. Het werd gesticht vóór 1409, toen het voor ‘t eerst vermeld werd. Er is wel iets bijzonders met de Paulusbroeders: het was een der vijf (later 3) mannenkloosters der Derde Orde in de Nederlanden en daarmee leidinggevend aan de ongeveer 80 vrouwenkloosters van die orde in het land, die onder het kapittel van Utrecht vielen, waaronder niet minder dan 8 Amsterdamse vrouwenkloosters. Zij vielen dientengevolge onder de hoede van de Paulusbroeders, die in principe paters voor preek en biecht moesten leveren, waar overigens niet veel gebruik van gemaakt werd. Het klooster startte aan de O.Z.Achterburgwal binnen de stad maar begon in 1415 met het aankopen van grond buiten de stad aan wat later de Kloveniersburgwal zou worden. Hoeveel later zij daar bouwden en naar toe verhuisden is niet zeker. Tot 1497 kochten de broeders steeds meer grond rond het klooster. Na 1532 wordt dan weer grond verkocht of verpacht en een hele trits huizen aan de O.Z.Achterburgwal verhuurd om de financiën rond te krijgen. De stad keek verlekkerd naar het slecht bevolkte klooster en probeerde het in zijn geheel te kopen, wat op niets uitdraaide.Na de Alteratie, in 1579, werd het klooster opgeheven en kregen de gebouwen verschillende bestemmingen. De huisjes rondom het kloosterhof werden overgedragen aan de regenten van het St.Jorishof aan de Kalverstraat. Die verhuisden hun proveniers naar dit intieme binnenhof, dat vanaf dat moment Sint Jorishof heette. Ook de overgebleven broeders vonden een plek in dit Sint Jorishof. Die kapel is blijven staan, werd overgedragen aan de Waalse gemeente en kennen we, na vele verbouwingen en uitbreidingen, vandaag als Waalse kerk. Het in 1569 geopende Dolhuys heeft begin 18e eeuw plaatsgemaakt voor de kerk van de Hersteld Evangelisch-Lutherse gemeente. In 1603 huurde de in 1601 opgerichte VOC Oost-Indisch Huis, het eerste VOC-complex.


9. Sint Ceciliaklooster
09Klooster van St Cecilia, 1544

Het Sint Ceciliaklooster werd voor ‘t eerst vermeld in 1411 en was van de reguliere kanunnikessen die naar de regel van Augustinus leefden. De stichting zal waarschijnlijk al tussen 1342 en 1352 plaatsgevonden hebben. De orde werd in 1585 opgeheven en het noordelijke deel, de gebouwen rond het kloosterhof, omgevormd tot Prinsenhof. De kapel bleef staan, werd aanvankelijk schermschool maar na 1590 kantoor van de Admiraliteit voor de inning van konvooigelden. In 1758 werd de kapel afgebroken, waarbij de dakruiter gespaard bleef en hergebruikt is. Na 1656 werd het hele kloostercomplex, inclusief dat van het Catarijnenklooster, eigendom van de Admiraliteit, die in 1661 het hoofdgebouw verving door nieuwbouw met een gevelontwerp van Daniël Stalpert. Na de brand in het oude stadhuis in 1652 bood het complex, tot de oplevering van de eerste delen het nieuwe stadhuis in 1655, tijdelijk onderdak aan de stadsambtenaren.
De omwentelingen van 1795, het ontstaan van de Bataafse Republiek en aansluitend de Napoleontische overheersing, maakte een einde aan alle Admiraliteiten, zo ook de Amsterdamse. Beide kloostercomplexen werden in 1808 stadhuis, omdat dat op de Dam paleis voor koning Lodewijk Napoleon werd. Na de oplevering van de Stopera werd het stadhuis omgebouwd tot hotel The Grand.
09Prinsenhof, 1770

Prinsenhof, 1770.


10. Sint Maria Magdalenaklooster
10Sint Maria Magdalenaklooster, 1544

Het Sint Maria Magdalenaklooster op het Spui (opt Spoeygen) is een voortzetting van een zustergemeenschap, die een burgerhuis van Willem Roelofsz in gebruik nam waar de zusters gewoond hadden die in 1406/7 het Agnietenklooster betrokken hadden. Dit werd in 1411 in een stuk bevestigd dus is de stichting van de orde tussen 1406 en 1411 te dateren. In de jaren daarna verwierven zij enkele stukken grond ten zuiden van het Vogelenzang, de natuurlijke veenplas tussen Gansoord en de Grimmenesse die tot 1354 de stadsgrens zou blijven, om daarna op te schuiven naar de Grimburgwal. In 1422 blijken de zusters, intussen van de Derde Orde der Franciscanen, een nieuwbouw betrokken te hebben aan het Vogelenzang met slechts een paadje naar de O.Z.Voorburgwal, met kloostergebouwen en kapel direct aan dat pad. Dat paadje zou tevens de grens vormen met het in 1425 voor ‘t eerst vermelde Sint Barbaraklooster, wat in de decennia daarna tot menig conflict zou leiden. In 1431 werd aan de O.Z.Voorburgwal een dubbelpoort voor beide kloosters gebouwd en onder arbitrage het gebruik van het pad geregeld. De controverse liep verder op toen het St.Barbara uit nijd in 1436/7 zijn kapel eveneens op de erfscheiding bouwde, een paar meter van die van het M.Magdalena, wat het daglicht naar de kapel van de laatsten dreigde te blokkeren. Pas in 1527 blijkt het conflict tussen beide kloosters geschikt te zijn. Tussen 1422 en 1427 zijn de zusters op de regel van Augustinus overgegaan te zijn, in elk geval sloten zij zich in 1427 aan bij het kapittel van Sion. Tijdens de 15e  eeuw is de Vogelenzang steeds verder gedemd, totdat er slechts een spuisloot tussen Rokin en O.Z.Voorburgwal overbleef. Die werd in 1550 gedempt en omgevormd tot wat nu de Wijde en Enge Lombardstegen zijn. De ontstane strook grond kon door het M.Magdalenaklooster gekocht worden maar daarvoor ontbrak het aan middelen. In plaats daarvan werd die grond gekocht door de Huiszittenmeesters, die er een turfpakhuis op bouwden, direct tegen de noordvleugel van het klooster aangebouwd.
In 1579 werd het klooster opgeheven en verkocht aan het Leprozenhuis. De overgebleven nonnen, 13 in getal, mochten op het terrein blijven wonen tot hun dood en kregen zelfs een alimentatie van in totaal ƒ855,- in termijnen uitbetaald. De kloostergebouwen werden door het Leprozenhuis omgebouwd tot woningen die verhuurd werden, inclusief de kapel. De noordvleugel kwam in gebruik bij de Huiszittenmeesters, die er deels op het gedempte spui een turfpakhuis tegen aan bouwden. In 1616 kocht de stad de noordvleugel en het turfpakhuis en vestigden er de nieuwe Bank van Lening in. Door intensieve verbouwingen en vooral versterkingen heeft de noordvleugel van het klooster de 21e eeuw gehaald.
10Bank van Lening,1792

Bank van Lening, 1792


11. Sint Catrijnenklooster
11Katrijne klooster

De vroegste vermelding van het Sint Catrijnenklooster stamt uit 1412. Het werd op de stichtingsdatum van zusterhuis om- gezet in een convent van de Derde Orde der Franciscanen. In 1457 ging het klooster over naar de regel van Augustinus en sloot zich, na onderzoek en toestemming van de paus, aan bij het kapittel van Windesheim.
Men twijfelt nog steeds over de locaties van dit klooster. Het eindigde tussen O.Z.Voor- en Achterburgwal, ingeklemd tussen Agnieten- en Ceciliaklooster op gepachte grond, terwijl het uitgebreide erven (tuinen) aan de Kloveniersburgwal bezat, waarop zelfs, volgens de koopakte, een zusterhuis gestaan zou hebben. In de 15e eeuw moesten de tuinen gedeeltelijk verkocht worden, ondermeer in 1471 aan de Paulusbroeders zodat die eindelijk hun kapel (nu: Waalse kerk) konden bouwen. Deze krimp en verhuizing kan tevens de oorzaak zijn van de veronderstelling dat het Catrijnen geen zelfstandig klooster was en slechts een dependance van het Margrietenklooster zou zijn.
De diverse stadsbranden hebben alle bronnen die uitsluitsel hadden kunnen geven vernietigd.Na de Alteratie kwam het complex in handen van de Huiszittenmeesters van de Oude én de Nieuwe zijde. In 1610 werd het patershuis het Goudse Tuchthuis maar na 1656 blijkt het hele complex in bezit van de Admiraliteit te zijn, die er nieuwbouw pleegt. De verdere geschiedenis van het klooster loopt parallel met die van het Ceciliaklooster ten noorden ervan.


12. SintLuciënklooster
12aSt Liseijen klooster 1545

Het Sint Luciënklooster wordt voor ‘t eerst genoemd in 1414 op het moment dat er een erf met huis gekocht wordt op het ‘Begijneneiland’, ten noorden van het Begijnenhof. Ze begonnen als zusters van het gemene leven met de intentie zo snel als mogelijk een Derde Orde-klooster te worden. Dat gebeurde al in 1416 en het convent sloot zich aan bij het kapittel van Utrecht. Het privilege ontvingen zij in 1433. In de vroege jaren was pater Robert Jansz, biechtvader van het Begijnenhof, steun en toeverlaat van de zusters op geestelijk gebied. Financieel waren zij volledig af hankelijk van enkele rijke families in de Bindwijk, zoals Heinen en Boelen, waarvan diverse dochters in het klooster intraden.
Het klooster begon direct met een actief aankoopbeleid, wat in 1437 resulteerde in het bezit van het totale noordelijke deel van het begijneneiland. Of de zusters ooit erven op de noordelijkste punt van het Begijneneiland hebben bezeten is niet duidelijk, zeker hebben zij dit gebied nooit zelf in gebruik genomen. Hier werd, schuin tegenover de vroegste Deventer Houtmarkt, een timmerwerf gevestigd,waarschijnlijk door het stadsbestuur zelf. In 1422 staken zij de Begijnensloot over en kregen een smal pad naar de Kalverstraat. De kapel werd in 1433 gewijd, dwz. dat de bouw ruim vóór het verkrijgen van het privilege al begonnen was.Medio 16e eeuw begon het klooster weer bezittingen af te stoten. Na de Alteratie (1579) vervielen alle bezittingen aan het Burgerweeshuis in de Kalverstraat, dat het klooster in 1580 als nieuw onderkomen in gebruik nam, terwijl de zusters 6 huisjes in de St.Luciënsteeg ter beschikking kregen plus een traktement voor de rest van hun leven. Dat contract duurde totdat in 1633 de laatste zuster overleed. Behalve het St.Luciënklooster kreeg het Burgerweeshuis ook grond en bezittingen van het Kartuizerklooster en de inkomsten van de kapel der Heilige Stede als inkomstenbron toebedeeld. Het traktement van de laatste kartuizermonnik liep tot 1614.
Het was voor de beheerder van het Burgerweeshuis niet eenvoudig het in 1579 verworven bezit van de voormalige kloosters volledig uit te buiten. De Kartuizers bijvoorbeeld hadden de administratie ontvreemd en naar een geheime plaats in Haarlem overgebracht. Behalve dat de “vaders” slechts door klikken van enkele monniken achter de verspreide bezittingen kwamen hebben prior en procurator nog jarenlang heimelijk de pacht geïnd en voor eigen onkosten gebruikt.
Het weeshuis verhuurde zijn vorige locatie aan de Kalverstraat aan het etablissement De Keizerskroon, dat ook na de herbouw in 1725 huurder bleef.
12Kalverstraat 94-86, 1818In 1632-1635 vond een grote verbouwing plaats, waarbij het Oude Mannen en Vrouwenhuis aan de Kalverstraat (restant Sacramentsgasthuis B) als jongenshuis bij het weeshuis getrokken werd. Beide afdelingen lagen nu rond een eigen binnenplaats met een eigen toegangspoort;
12Sint Luciensteeg
het meisjeshuis in de St.Luciënsteeg (zie boven) en het jongenshuis in de Kalverstraat. Het weeshuis bleef hier tot het in 1966 het riante onderkomen aan het IJsbaanpad kon betrekken. Van 1966 tot 1975 werd het oude Burgerweeshuis gerestaureerd en verbouwd tot Amsterdams Historisch Museum; de binnenplaatsen en het restaurant zijn ook zonder museumbezoek te bezichtigen.
12Sint Luciensteeg 27BurgerweeshuisMeisjespport
Sint Luciensteeg 27, Burgerweeshuis Meisjespoort.

Lees de zeer uitgebreide geschiedenis van het complex, door Ir. R. Meischke

(1975) t.g.v. de verbouwing tot AHM: Ons Amsterdam jg.27, p.226-259


13. Sint Mariaklooster
13Sint Mariaklooster op Nes 104-108, 1544

De eerste vermelding van het Sint Mariaklooster dateert van 1417, gesticht is het mogelijk al in 1415. Het was een vrouwenconvent van de Derde Orde der Franciscanen en behoorde tot het kapittel van Utrecht. Het lag binnen de vierhoek Rokin, Langebrugsteeg, Nes en Kalfsvelsteeg, in de 16e eeuw nog Mariënstraetgen geheten. In 1541 is het voor een groot deel afgebrand, waarbij ketters van brandstichting beschuldigd werden. De orde is in 1585 opgeheven. De kapel deed nog een tijdje dienst bij de Admiraliteit tot hij in 1616 Lakenhal werd. Op de kaart van Balthasar Florisz uit 1625 staat de kapel van het dan nog ongeschonden klooster met “Lakenhal” gemarkeerd. In 1633 is de lakenhal alweer verkocht
13Rokin 91-95 mariaklooster
en tot woonhuis (Rokin 91-95) omgebouwd dat pas in de 19e eeuw afgebroken werd. Vandaag is in het bouwblok niets meer te bespeuren van het vroegere klooster.

 


14. Het Sint Ursulaklooster of De Elf Duizend Maagden.
14Sint Ursulaklooster, 1544
Het Sint Ursulaklooster is in elk geval vóór 1419 gesticht, toen het voor de eerste keer vermeld werd. Het was een vrouwenconvent van de Derde Orde der Franciscanen en behoorde tot het kapittel van Utrecht. Het klooster lag binnen de vierhoek Kloveniersburgwal, Korte Spinhuissteeg, O.Z.Achterburgwal en Rusland. De orde werd in 1585 opgeheven, nadat er al delen van het kloosterterrein verkocht waren waarop de stad in 1562 een zwakzinnigengesticht bouwde: het Dolhuys, dat gedeeltelijk ook op grond van het noordelijker gelegen Paulusbroederklooster gebouwd was. De sloot tussen beide kloosters is gedempt en heet nu Korte Spinhuissteeg. Die naam wijst op de bestemming van het Ursulaklooster na opheffing,
14dwarsspinhuissteeg
namelijk Tuchthuis voor vrouwen, beter bekend als Spinhuis. Als we de bekende afbeelding mogen geloven was dit eerst in de kapel met bijgebouwen gevestigd. Na diverse bouwactiviteiten omvatte het Spinhuis een riant gebouwencomplex dat na opheffing van het tuchthuis het hoofdbureau van politie en diverse gemeentelijke diensten herbergde. Beroemd is de monumentale toegangspoort tot het Spinhuis in de Spinhuissteeg. In 1550 vonden in een gebouw van het kloosters de eerste publiekelijke anatomische lessen plaats, die na 1578 verhuisden naar de “snijzaal” in de kapel van het Margrietenklooster. In 1792 kocht de Hersteld Evangelisch-Lutherse gemeente het Dolhuis van de stad om er een kerk voor in de plaats te bouwen.
14bSpinhuis in de Spinhuissteegofwel het 11000 Maagden-Klooster, 1596

14spinhuispoort 
Spinhuispoort (Spinhuissteeg) anno 2011


15. Sint Barbaraklooster
15aBarbarakloostertussen Kuiperssteeg aan de linker kant en de St Barbarasteeg aan de rechter kant1544

Het Sint Barbaraklooster werd voor ‘t eerst vermeld in 1425. Het was een klooster van de Derde Orde der Franciscanen en aangesloten bij het kapittel van Utrecht. Het lag ingeklemd tussen het St.Clara- (Z) en het Maria Magdalenaklooster (N), tussen Nes en O.Z.Voorburgwal. Het bouwerf hadden zij te danken aan het Oude Nonnenklooster, waarschijnlijk gratis. Dat bouwerf deelden zij met het St.Clara en daarom wordt wel eens gesuggereerd dat het St.Barbara met hen geliëerd was. Waarschijnlijker is dat het klooster voor apart instituut moest doorgaan omdat het kapittel slechts een beperkt aantal zusters in een klooster wenste te zien, meestal niet meer dan 60. Er zijn weinig bronnen die ons over inkomsten en bezigheden van de zusters vertellen, alleen dat zij voor ƒ20,- p/jaar het linnengoed van de Oude Kerk wasten en bleekten. Vanaf 1431 is het klooster in conflict met het Maria Magdalenaklooster over de erfscheiding. In 1569 werd midden op het terrein de Sint Barberenstraat gerooid, zo’n beetje alles wat nog aan het St.Barbaraklooster herinnert. In 1810 opende op het noordelijke gedeelte van het een Italiaans koffiehuis Frascati, waar in 1824 een feest- en concertzaal bij kwam die wel 500 man kon bergen.
15tabaksveilinginFrascati
In 1879 werd Frascati verkocht en omgebouwd tot veilinglokaal, waar de huizenveilingen gehouden werden die tot kort daarvoor nog in de Brakke Grond hadden plaatsgevonden. Berucht zijn de tabaksveilingen waar het heet toe kon gaan
Vandaag is Frascati weer theater.


16. Sint Geertruidenklooster
16St Geertruyts KloosterNieuwezijds Voorburgwal ter hoogte van 65-85,1544

Het Sint Geertruidenklooster werd voor ‘t eerst vermeld in 1432 maar is zeker ruim daarvoor gesticht, mogelijk in 1416.
Het  werd ook “Maechdendael tot Sinte “Gheertruden” genoemd, was bij de stichting aangesloten bij de Derde Orde derFranciscanen om tussen 1450 en 1456 over te gaan op de regel van Augustinus. Na onderzoek (1475) door paus Sixtus IV werd het, samen met het Catharinaklooster, aan het kapittel van Windesheim toegevoegd. In 1433 ontving het klooster privileges; een eigen biechtvader, kapel en kerkhof. De kapel was rond 1450 gereed. Door zijn ligging in het relatief peperdure noordwest-kwartier van de stad bleef het een klein klooster dat ook niet, zoals vele kloosters elders in de stad, een terrein tussen 4 hoofdstraten innam. Aan de oostzijde grensde het Geertruidenklooster aan het O.L.Vrouwegasthuis en het recht van overpad van beide instellingen over elkaars terrein bracht jarenlange onenigheid met zich mee. Van zo’n conflict stamt die eerste vermelding in 1432, waarbij een pad over het kloostererf voor het gasthuis gereserveerd werd; dat pad van 1,5 tot 2m breed heet vandaag
01suikerbakkerssteeg
Suikerbakkerssteeg.
Het klooster was redelijk welvarend te noemen; het had nauwelijks proveniers nodig om rond te komen. Een van de, voor een vrouwenklooster opvallende, bezigheden was de vermenigvuldiging van handschriften, iets dat we meer bij mannenkloosters tegenkomen. Het kloosterterrein lag tussen Suikerbakkerssteeg en St.Geertruidensteeg aan de N.Z.Voorburgwal. De Nieuwe Nieuwstraat loopt dwars door het voormalig kloosterterrein. Na de Alteratie vestigde zich in de kloosterkapel een suikerbakkerij, de naamgever van de bewuste steeg.
Er is in 1983 archeologisch onderzoek gedaan tijdens het opknappen van dit deel van de N.Z.Voorburgwal en achterliggende straten. Daarbij is op het terrein van het klooster een deel van een “piëta” gevonden die beschadigd moet zijn tijdens de beeldenstorm en dat nu in de collectie van het Amsterdamsmuseum is opgenomen.


17. Cellebroedersklooster
17Cellebroederskloosterop Nes 70-58, 1544

Het Cellebroedersklooster was een convent van lekenbroeders (Alexianen) die volgens de regel van Augustinus leefden. De eerste vermelding is van 1440 en de nadruk lag op ziekenverzorging. Door nauwe samenwerking tussen de broeders en het Sint Pietergasthuis vestigden zij zich in de buurt van het gasthuis aan de Nes, tussen de huidige Wijde Lombard- en Cellebroedersteeg. De broeders deden ook aan ziekenzorg in andere gasthuizen en verzorgden begrafenissen. Tijdens de vele pestepidemieën was dat geen sinecure. Vanaf 1440 werkten permanent 12 broeders buiten het convent, maar alleen voor mannen; tot in 1475 de Cellezusters zich in Amsterdam vestigden bleven vrouwen van dit soort zorg verstoken. In 1505 kregen de Cellebroeders vergunning het Spoey (restant Vogelenzang, ingedamd tot spuisloot tussen O.Z.Voorburgwal en Rokin) te overkluizen zodat het klooster iets vergroot kon worden; zolang er maar een beladen hooischuit onderdoor kon. Bij grondwerkzaamheden in 1914 bleek een deel van die uitbreiding plus muren van de kapel nog te bestaan en op die overkluizing verankerd te staan. Bij deze gelegenheid werd de 16e  eeuwse overwelving opgemeten. Bij diezelfde werkzaamheden, waarbij de restanten afgebroken werden en vervangen door een uitbreiding van een belendend kantoorgebouw, bleek dat de Cellebroeders over een kerkhof op eigen terrein beschikt hadden waar ze ook pestslachtoffers hadden begraven. Tijdens het volstorten van het Spoey bleek bovendien een niet begraven lijk (slachtoffer van een misdrijf ?) weggemoffeld te zijn.
Na de Alteratie werd het complex, op de kapel na, gesloopt en probeerde de stad de grond te verkopen. Het boven aangehaalde kerkhof heeft de animo danig getemperd; de verkoop begon in 1584 waarbij slechts een paar stroken verkocht werden, de kapel werd in 4 delen verkocht en eigenlijk hadden alleen bedrijfjes interesse. De stad staakte de verkoop in 1589 om pas in 1594 de verkoop te hervatten en nu met meer succes. Bij die gelegenheid ontstonden de Cellebroeders- en Wijde Lombardsteeg.


18. Bethaniënklooster
18Klooster van Bethanienaan de Oudezijds Achterburgwal,1544

Het Bethaniënklooster was een refugie voor “gevallen vrouwen” die aan nieuw leven wilden beginnen. Het is gesticht tussen 1450 en 1460 en nam in zijn glorietijd het blok tussen O.Z.Achterburgwal, Kloveniersburgwal, Barndesteeg en Bethaniënstraat in. De zusters leefden volgens de strenge regel van Augustinus. In 1462 kreeg men toestemming voor de bouw van een kerk op het terrein. Het klooster werd in korte tijd populair bij de Amsterdamse vrouwen en al spoedig zat het vol met rijke nonnen en proveniersters, een bewoning van rond de 220 in totaal (1462). De zusters hielden zich oa. bezig met vetweiderij en leverden bijvoorbeeld de ossen voor schuttersmaaltijden. In de 16e  eeuw daalde de populariteit en ontstonden geldproblemen. Achtereenvolgens werd in 1506 de Bethaniënstraat verbreed en door de stad bebouwd, in 1525 de Koestraat gerooid (waardoor de kerk aan een openbare straat kwam te liggen) en bebouwd en in 1535 nog een lap grond aan de stad verkocht. Naast de ingang van het klooster aan de O.Z.Achterburgwal (Hoogkamersgang) lag een 23m breed patershuis waarvan in 1553 grote delen verhuurd werden.Na de Alteratie werd het kloosterterrein onteigend en in 1585 de orde opgeheven. De 9 overgebleven zusters vonden onderkomen in Begijnenhof of achter het Clarissenklooster en in 1609 was de laatste verdwenen of overleden.
In 1594 ingericht als latijnse school voor de Oude Zijde. In de Barnesteeg is nog een deel van de noordvleugel, de refter van het klooster, behouden  gebleven, waarvan de keldergewelven nog uit ±1450 stammen.Het herbergde tijdenlang een schuilkerk  De Ooievaar is intussen gerestaureerd door een particuliere stichting.
18aBarndesteeg 6 Ingang voormalig Bethanienklooster,1991
Barndesteeg 6, ingang voormalig Bethaniënklooster,1991


19. Minderbroedersklooster of Grauwbroederklooster

19Minderbroedersklooster aan de Oudezijds Achterburgwal 49-91,1544

Het Minderbroedersklooster van de Eerste Orde der Franciscanen nam een relatief groot oppervlak in beslag. Het besloeg op z’n hoogtepunt de vierhoek Kloveniersburgwal, Molensteeg, O.Z.Achterburgwal en Barndesteeg. De Minderbroeder-Observanten, de fanatieke aftakkingen der Franciscaner Eerste Orde, waren zelfs bij het katholieke stadsbestuur van halverwege de 15e eeuw “verdacht” en de stichting in Amsterdam werd geblokkeerd. De orde werd echter geprotegeerd door de Bourgondische hertogen; Filips de Goede stuurde de stad Amsterdam een bevelsbrief de kloosterstichting niet langer in de weg te staan. Van onder af werd ook grof geschut ingebracht; de befaamde prediker en redenaar Johannes Brugman kwam voor maanden naar Amsterdam om de bevolking warm te maken voor de minderbroeders. In 1463 was de stichting een feit en dankzij de steun van steenrijke poorters kon het klooster tot het grootste mannenconvent van de stad uitgroeien. In de loop van de 16e eeuw werden de Observanten in het hele noord- westen van Europa de motor achter de Inquisitie en ook in Amsterdam hebben zij heel wat levens op hun geweten. Op 25september 1566 sloeg de vlam in de pan; de beeldenstorm trof als een der eersten het Minderbroederklooster; het interieur werd geplunderd en vernield en het kloosterterrein bezet. Als ultieme verzetsdaad gingen gereformeerden er kerken, iets dat tot dat moment in de vrije lucht had plaatsgevonden. In 1567 kwam Alva naar Amsterdam, nam zijn intrek in dit klooster van waaruit hij zijn beruchte Raad van Beroerte instelde. Van 1567 tot 1578 speelden de Minderbroeders een grote rol bij de kettervervolging. Zo werden zij de eersten die, samen met het stadsbestuur, bij de Alteratie hardhandig de stad werden uitgewerkt. Om binnen de kortste keren weer terug te keren en in het geheim een schuil- kerk aan de Huydenvettersloot (van 1626-1668) te stichten. Dat neemt niet weg dat in 1578 het kloosters nog eens geplunderd werd. De Minder- broeders hadden wel elke vorm van schadeloosstelling of alimentatie verspeeld. Het klooster werd voor de demping direct onteigend en Joost Jansz Bilhamer kreeg reeds in 1578 de opdracht het terrein op te meten
19MinderbroederskloosterBilhamer uit 1578
(zie plattegrond boven) zodat tot herindeling overgegaan kon worden. Op het terrein kwamen een aantal straten. Een deel der kruisgangen werd tot Monniken- en Monnikendwarsstraat (nu afgesloten) en de Huydenvettersloot werd gedempt. Op de vogelvluchtkaart van Pieter Bast van 1597 is het terrein volledig bebouwd; de kloosterkerk is in 1588 afgebroken en in het hoofdgebouw, dat nog lang bleef staan werden wonin- gen ingericht. Begin 17e eeuw werd de zuidelijke kruisgang afgebroken voor de aanleg van waterkelders en beerputten, 2e helft 17e eeuw werd een pakhuis (dat van Du Gardyn) afgebroken en door huisjes aan de Gordijnsteeg vervangen. In deze steeg is een laatste rest kloostermuur gespaard gebleven. Een brand in 1667 heeft de overige resten van het klooster opgeruimd.
In 1920 bouwde het GEB een onderstation op het blok van het vroegere hoofdgebouw. Toen dat in 2002 gesloopt werd kon eindelijk weer eens archeologisch onderzoek gedaan worden naar een stukje middeleeuws Amsterdam.
http://www.bma.amsterdam.nl/archeologie/vindplaatsen_in/vindplaatsen/monnikkenstraat

Wednesday the 13th. Joomla 2.5 templates. Custom text here