Rome

Afdrukken

4. Basilica Constantiniana

Nadat keizer Constantijn in 312 het Edict van Milaan had afgekondigd, waarbij de vrijheid van godsdienst werd toegestaan, liet hij verschillende kerken bouwen in Rome. Vóór 312 hielden de christenen hun bijeenkomsten in woonhuizen (vakterm: titulus, mv. tituli) van belangrijke personages die zich tot het Christendom hadden bekeerd.

Kanttekening: Tituli

Een aantal van deze tituli is bewaard gebleven, weliswaar niet in de oorspronkelijke vorm. De woonhuizen werden in latere eeuwen uitgebreid, verbouwd of omgebouwd tot kerken. Vaak ook werden – na allerlei rampen – op de fundamenten ervan nieuwe kerken neergezet. In Rome zijn nog diverse voorbeelden te vinden onder de huidige kerken: bijvoorbeeld San Clemente, San Martino ai Monti, Santa Pudenziana, Santi Giovanni e Paolo, Santa Prisca.

Constantijn heeft de Vaticaanse kerk gesticht niet alleen als uiting voor de verering van de apostel Petrus, maar ook uit dankbaarheid aan Christus voor de overwinning op zijn mede-keizer Licinius in 324. Op de triomfboog in de oude Sint-Pieter stond (onder andere) (in het Latijn) “… heeft Constantijn, de overwinnaar, U deze pronkzaal gesticht.”

Kanttekening: Stichtingen van Constantijn in Rome

Het Liber Pontificalis noemt zeven stichtingen van Constantijn in Rome, allemaal buiten de muren (It. fuori le mura; Lat. extra muros). Boven de begraafplaatsen van de apostel Petrus en Paulus verrezen gedachteniskerken en op het terrein van een voormalige tegenstander van Constantijn (de familie van de Laterani) werden de verblijven voor de bisschop van Rome en de hoofdkerk van Rome neergezet: de Basilica Salvatoris, nu de San Giovanni in Laterano. De andere kerken waren de Santa Croce, Sant’ Agnese fuori le mura, San Lorenzo fuori le mura en Santi Marcellino e Petri.
Het bouwen aan de buitenkant van de stad en op keizerlijke grond getuigt van het tactisch inzicht van Constantijn. Om de aanhangers van de oude staatsgodsdienst, met name de senatoriale families, niet te veel voor het hoofd te stoten, werden de eerste christelijke gebouwen aan de rand van het toenmalige Rome neergezet en niet in het toenmalig bestuurlijk en godsdienstig centrum. Deze families waren voor het merendeels heidens gebleven en waren overheersend in het stadsbestuur. Ook vielen de bezittingen van de keizer buiten de jurisdictie van het stadbestuur. Uit het feit dat pas tijdens het pontificaat van paus Damasus (in 384) het heidense Altaar van de Overwinning en het standbeeld van de godin uit de Curia (het Senaatsgebouw op het Forum Romanum) werd verwijderd, respectievelijk geherinterpreteerd als een engel, blijkt wel hoe gevoelig deze kwestie lag.

Overigens werden de bezoekers van Rome wel direct bij het betreden van de stad geconfronteerd met de grootse gebouwen van het Christendom, uit psychologische overwegingen een meesterzet van Constantijn.

Keizer Constantijn heeft omstreeks 324 opdracht gegeven tot de bouw van de gedachteniskerk voor Petrus. Dat was geen eenvoudige klus. De ingenieurs van Constantijn liepen tegen twee problemen aan: de onaantastbaarheid van een bestaande Romeinse begraafplaats én de locatie van het graf van Petrus tegen de Vaticaanse heuvel op. De keizer en zijn adviseurs moeten er dus van overtuigd zijn geweest dat zich op deze plek het graf van Petrus moet hebben bevonden; de hiermee gepaard gaande technische en juridische problemen was Constantijn bereid te overwinnen.

Omdat de keizer ook de functie van pontifex maximus (opperpriester) vervulde, kon hij rechtens een officieel besluit nemen om de begraafplaats te sluiten.

Kanttekening: Onaantastbaarheid van graven

Begraafplaatsen en graven werden door de Romeinse wetten beschermd. De Romeinse overheid was op de hoogte van de exacte locatie van alle begraafplaatsen en dus ook van de catacomben.

In dit verband zij opgemerkt dat het een hardnekkige mythe is dat de christenen van Rome tijdens de christenvervolgingen van de eerste drie eeuwen de catacomben als schuilplaats gebruikten. Het achtervolgen van de eerste christenen tot in de catacomben was in principe in strijd met de Romeinse wetten.

Dit sluit geenszins uit dat er invallen in de catacomben hebben plaatsgevonden. Zo is bijvoorbeeld paus Sixtus II (257-258) op 6 augustus 258 gearresteerd tijdens een viering op het privé- (en als veilig veronderstelde) kerkhof van Praetextatus. Om vergeldingsmaatregelen te voorkomen gaf hij zichzelf over en werd hij samen met vier van zijn diakens op staande voet onthoofd; twee andere diakens werden later op die dag terechtgesteld en de zevende diaken, Laurentius, werd vier dagen later ter dood gebracht.

Ook is het bijna ondenkbaar dat een langdurig verblijf ondergronds mogelijk was; in ieder geval waren er daarvoor geen voorzieningen.

De bouwers hebben zich in de voorbereidingsfase enorme inspanningen moeten getroosten. In dit heuvelachtige gebied moest kunstmatig een bouwplaats worden gerealiseerd. Anders gezegd: om een horizontaal vlak te creëren op hetzelfde niveau als het plaatsje vóór het gedenkteken diende het terrein te worden geëgaliseerd in de omgeving van en in de richting van het gedenkteken van Petrus. Het bouwterrein werd naar het noorden toe afgegraven (het deel, dus, waar de Vaticaanse heuvel omhoog liep). Naar het zuiden toe werden de grafhuizen van hun daken ontdaan, gedeeltelijk gesloopt dan wel volgestort. Ook werd er een soort van damwand gemaakt om het verval van de heuvel te ondervangen en om het gebouw aan de zuidzijde te ondersteunen.

Afb3 Vaticaanse heuvel met afgraving

 

Afbeelding 03: Schets Vaticaanse heuvel met afgraving

Op dit aldus verkregen plateau werd de eerste Sint-Pieter gebouwd en wel zodanig dat het oude Petrus’ monumentje in de centrale as van het gebouw vóór de absis kwam te liggen; hierdoor bleef het graf van Petrus vanuit de kerk bereikbaar. Het eenvoudige monumentje werd door Constantijn omgeven door een ‘rechtopstaande doos’ van marmer die werd overhuifd door een baldakijn op zuilen.

Er is sprake geweest van een relatief korte bouwtijd. Dat was mogelijk omdat de constructie ─ afgezien van de fundering ─ weinig gecompliceerd was: muren van baksteen en beton en een houten kap. Gewelven werden niet toegepast en architectonisch beeldhouwwerk was overbodig omdat voor architraven en zuilen spolia werden aangewend.

Constantijn wilde klaarblijkelijk een schrijn op monumentale basis voor het graf van de apostel met alle pracht en praal die kenmerkend was voor die tijd; daarbij kon rijkelijk worden geput uit de rijksvoorraden. De aandacht van de pelgrims moest hoe dan ook worden gevestigd op het graf van de apostel.

Kanttekening: Spolia - I

Spolia is een vakterm voor het gebruik van bouwmaterialen, die oorspronkelijk in andere gebouwen waren aangewend. Vele gebouwen en kerken in Rome hebben spolia. Het gaat hierbij niet alleen om zuilen of architraven, maar ook om stenen en steenblokken. Veel kerken in Rome bezitten zuilen, die afkomstig zijn uit Romeinse gebouwen. Verschillende paleizen (o.a. het Palazzo Farnese) en kerken (o.a. de nieuwe Sint-Pieter) zijn gebouwd met de stenen van het Colosseum.

De Romeinse bouwwerken (vooral die op het Forum Romanum, maar ook elders in de toenmalige stad) fungeerden als het ware als een steengroeve. Het gehele Middeleeuwse Rome is gebouwd met klassieke steenblokken, zuilen, architraven en dergelijke. Alles waarmee werd gebouwd, was in feite hergebruikt materiaal.

Overal in het zogenaamde Centro Storico in Rome staan allerlei panden waarin spolia als deur- of raamkozijn zijn verwerkt. Een aardig voorbeeld daarvan is de Casa Bonadies, gelegen op de hoek van Piazza Ponte S’ Angelo en de Via di Banco di San Spiritu, waarvan de toegang aan de zijstraat wordt gesteund door zuilen en een architraafbalk.

Kanttekening: Spolia - II

Zelfs de oude Romeinen werkten met spolia: de Boog van Constantijn is samengesteld uit delen van oudere, vervallen of afgebroken monumenten.

De Romeinen bewaarden zaken als zuilen, architraafbalken, friezen van in verval geraakte of afgebroken gebouwen. Zij voegden deze toe aan de voorraden nieuw materiaal waarvan het beheer lag bij de staat; dus kon de keizer daarover beschikken.

De Romeinse Staat hield in depots (in Ostia) voorraden aan met zuilen van allerlei lengte, diameter en steensoort. Door import werd deze voorraad op peil gehouden. Deze voorraden waren zo groot dat ten tijde van Renaissance deze nog aanwezig waren; zo is uit archiefstukken gebleken dat een van de bouwmeesters van de nieuwe Sint-Pieter met pauselijke toestemming zuilen kon betrekken uit Ostia.

Kanttekening: Spolia - III

Hoewel – met de ogen van nu – het her-gebruik van spolia zou zijn aan te duiden als zuinigheid, moet toch eerder worden gedacht aan het (wederom) pronken met kostbare steensoorten en met hoogstaande producten als teken van rijkdom en grandeur. Een Romein (een echte, maar ook de Romein van de Middeleeuwen en van de Renaissance) wil aan een ander laten zien wat hij bezit.

Ook een ander facet van het gebruik van spolia kan niet worden veronachtzaamd: met behulp van spolia wordt de betekenis van het oude gebouw overgenomen in de nieuwe context. Hierdoor wordt de geschiedenis en de inhoud ervan door-gegeven. Een voorbeeld hiervan zijn de zuilen van de oude Sint-Pieter en de gedraaide zuilen van het altaar ervan ; deze zijn alle verwerkt in de nieuwe Sint-Pieter ter zijde van de zijaltaren respectievelijk in de relieken in de koepelkolommen. De traditie wordt als het ware voortgezet: het nieuwe vindt zijn wortels in het oude.

Op deze wijze maakt het verleden in Rome al eeuwen lang deel uit van het heden.

afb04 oude sint pieter

Afbeelding 04: Schets ‘oude’ Sint Pieter [ca. 400-600 na Chr.]

De oude Sint-Pieter, een klassieke, vijfschepige basiliek in de vorm van een Latijns kruis werd in de loop van eeuwen veelvuldig gerestaureerd en schitterend gedecoreerd. Het gebouw was aanvankelijk een gedachtenisruimte ter ere van Petrus: een grafkerk.

Kanttekening: Sint-Pieter - Grafkerk

De Sint-Pieter was gebouwd als grafkerk (voor Romeinse begrippen een mausoleum); een ruimte die – in eerste instantie – niet bedoeld was voor liturgische vieringen.

De christenen hadden het gebruik van de heidenen overgenomen om in of nabij het graf van een overledene ter nagedachtenis aan de dode op de sterfdag een dodenmaaltijd en gebedssamenkomst te houden. Ook in de catacomben bevonden zich voor dit doel speciale ruimtes. Men at dan met de dode en voor de overledene werd – door middel van een lege zetel – letterlijk een plek aan tafel ingeruimd. Omdat deze maaltijden in drinkgelagen ontaardden, werden ze door de Kerk verboden. Ook de Cathedra Petri (de bronzen stoel in de absis van in de nieuwe Sint-Pieter) duidt op dit gebruik.

Volgens pelgrimsverhalen zou zulks ook zijn geschied in de Sint-Pieter. Ook de Kerkvader Augustinus maakt hiervan melding.

Verschillende pausen hebben de opstelling om en nabij het graf van Petrus gewijzigd. Zoals gezegd bevond zich vóór de absis het schrijn boven het graf van Petrus. Deze was aan de buitenzijde voorzien van marmeren sierstukken met er boven een baldakijn, die werd gedragen door vier spiraalvormige zuilen: hieraan was een pergola ondersteund door identieke zuilen toegevoegd.

Tijdens het pontificaat van paus Gregorius de Grote (590-604) werd de vloer van de absis verhoogd. Onder die vloer werd, langs de binnenzijde van de absis, een gang in de vorm van een halve cirkel aangelegd, waarlangs de toegang tot het graf mogelijk bleef. Feitelijk ontstond hierdoor een verhoogd priesterkoor met crypte.

Boven het schrijn werd een tafel opgesteld, waaraan de Heilige Mis kon worden gecelebreerd, waardoor de altaar-situatie werd gecreëerd. Deze situatie bleef min of meer ongewijzigd tot de afbraak van de ‘oude’ Sint-Pieter.

Kanttekening: Cappella Clementina

De omstreeks 600 aangelegde rondgang bestaat nog steeds en wordt nu aangeduid als de rondgang om de Cappella Clementina in de Grotte Vaticane, de ruimte onder de kerk, waarin zich ook onder andere het graf van paus Johannes-Paulus II bevindt.

Thursday the 19th. Joomla 2.5 templates. Custom text here