Rome

Afdrukken

5. Scholae

De bouw van de oude Sint-Pieter betekende onder andere een krachtige impuls voor de (stedenbouwkundige) ontwikkeling van het Vaticaanse gebied, mede vanwege de toename van de pelgrimage. De bezoekers betraden het gebied via de Pons Aelius (de huidige brug Ponte Sant’ Angelo), in die tijd nog steeds de enige brug over de Tiber in deze omgeving. Vervolgens liepen ze bezoekers door de Porticus Sancti Petri, een overdekte wandelgang (de oude Via Cornelia) naar het voorplein van de Sint-Pieter.
De stroom van pelgrims uit het noorden van Europa, juist na hun overgang van de noordelingen tot het Christendom, deed ook de behoefte ontstaan aan landgebonden, aan nationale opvang. Rondom de Sint-Pieter en tussen de kerk en de Tiber ontstonden apartjes wijkjes, die worden aangeduid met de vakterm schola, mv. scholae.

Kanttekening: Opvang voor pelgrims en overige bezoekers

Naast de scholae waren er vanaf de vroege Middeleeuwen in Rome nog twee mogelijkheden om te verblijven. Daar was de gewone manier: een herberg. Maar ook de Kerk zorgde voor opvang in gasthuizen en hospitalen; deze staan bekend onder de naam xenodochia.

Lang voordat de scholae zich ten Vaticane ontwikkelden waren er in Rome al scholae: bijvoorbeeld van de Grieken in de omgeving van de Santa Maria in Cosmedin (Schola Graecorum) en van de Joden in wat nu Trastevere wordt genoemd (Schola Iudeorum).

De scholae waren plaatsen waar de pelgrims in de Middeleeuwen werden opgevangen en verzorgd. De buitenlanders zochten elkaar op, kropen bij elkaar en konden zo weer een gesprek in de eigen taal voeren. Er ontstonden kleine kampjes, die min of meer het karakter van een vesting hadden. Nog steeds worden de straten in deze wijk aangeduid met het Italiaanse Borgo. Borgo stamt af van het laat-Latijnse woord burgus hetgeen burcht of kasteel betekent. Een schola bevatte allerlei voorzieningen voor een langdurig verblijf: een ziekenhuis, slaapverblijven, een waterpunt, een kerk met kerkhof; ook had de schola de beschikking over een eigen beveiligingdetachement.

De pelgrims trokken in die tijd te voet door Europa; alleen gefortuneerden reisden te paard of werden vervoerd in een wagen. De wegen waren matig begaanbaar en nauwelijks geplaveid. Ook was de reis niet van gevaren ontbloot: roverbendes, misdadigers, bedelaars, zwervers, (muitende) huurlingen, enz. Kortom, de pelgrims vonden zo een veilig onderkomen in den vreemde na hun lange en soms barre voettocht van drie à vier maanden vanuit het hoge noorden.

Voor pelgrims die niet haar huis terugkeerden, maar kozen voor een langdurig of permanent verblijf in Rome, was de schola dé oplossing. Zij gingen bijvoorbeeld diensten verrichten in het ziekenverblijf of bij de beveiliging.

In de loop van de tijd groeiden deze plekken uit tot vaste nederzettingen in de buurt van de Sint-Pieter, net zoals onze ‘jaren-vijftig campings’ nu – via campings met allerlei vaste voorzieningen – geworden zijn tot vakantieparken (met permanente bewoning).

Op de Vaticaanse heuvel werden zelfs in de loop van de tijd dependances ingericht, waar mensen zich blijvend hebben gevestigd en een bestaan als boer hebben opgebouwd; op deze wijze leverden zij een bijdrage aan de bevoorrading van de scholae.

Naast de Franken (Schola Francorum), de Saksen (Schola Saxorum) en de Longobarden (Schola Longobardorum) hadden ook de Friezen (Schola Frisorum) rond het jaar 800 hun eigen schola. De Schola Frisorum was gelegen rondom de huidige kerk van Santi Michèle e Magno: de Kerk van de Friezen. Deze kerk is gelegen nabij de linkercolonnade van het Sint-Pietersplein.

Kanttekening: De Friezen
De benaming Friezen slaat op de bewoners van de kuststreek van Denemarken tot Duinkerken en is later gaan gelden voor alle bewoners van de Lage Landen.

In 845 bedreigden de Saracenen Rome. Mannen uit de verschillende Scholae worden ingezet bij de gevechten; ze worden verslagen en vermoord. Vervolgens gaan de Saracenen over tot het plunderen van de buiten de Aureliaanse muren gelegen kerken. In de basilieken van Sint-Pieter en Sint Paulus maakten ze ongeveer 3.000 kg goud en 30.000 kg zilver buit; mogelijk werden ook de graven van Petrus en Paulus geschonden.

Om herhaling te voorkomen werd bij de kerken van Paulus buiten de muren en Laurentius buiten de muren een fort gebouwd en werd – tijdens het pontificaat van paus Leo IV (847-855) – het Vaticaanse gebied omringd door een muur welke grotendeels nog bestaat. Hierdoor ontstond de Civitas Leonina of Città Leonina (Leo-Stad), een vernoeming naar de bouwer van de muur. Het bouwen van de muur werd gefinancierd door het innen van belasting bij de landen, waaraan de scholae waren gelieerd.

Afb05 Civitas Leonina

 Afbeelding 05: Civitas Leonina of te wel Leo-Stad [ca. 800]

Kanttekening: Vaticaanse Muren

  • In de 9de eeuw heeft paus Leo IV een muur gebouwd bijna direct om de bestaande bebouwing heen; deze muur is door opvolgende pausen versterkt en onder paus Nicolaas V in de 15de eeuw voorzien van torens.
    In de 16de eeuw is tijdens het pontificaat van de pausen Paulus III en Pius IV met name in het noorden en oosten een muur gebouwd die een groter deel van het Vaticaanse gebied besloeg. Dit is de muur, waarlangs de bezoeker van de Vaticaanse musea langzaam opschuift. In het zuiden is de muur een marginale uitbreiding van de muur van paus Leo.
    Door paus Urbanus VIII is in de 17de eeuw de muur verder uitgebreid naar het zuiden en in Trastevere aangesloten op de bestaande muur van Aurelianus. Een deel van deze muur is te zien bij het monument van Garibaldi op de Janiculus-heuvel.
  •  

    Ondanks de Vaticaanse muur bleven de scholae belaagd worden onder andere vanwege de strijd tussen de pausen en de keizers. In 1083 werd Rome door troepen van de Duitse keizer Hendrik IV ingenomen, waarbij ze hun intrek namen in het gebied van de scholae. De door paus Gregorius VII te hulp geroepen Noormannen verjoegen de Duitse troepen, waarbij onder andere de Schola Frisorum werd verwoest.

    De kerk van de Friezen moest geheel opnieuw worden opgetrokken; dit is het gebouw dat er nu nog staat. Met de bouw ervan werd een begin gemaakt in 1139. Omdat de kerk tegen een helling werd aangebouwd, moest een terras worden aangelegd. Volgens de wijdingsinscriptie in de kerk werd de basiliek ingewijd in 1341 door paus Innocentius. Er werd wel een toren aan toegevoegd. Later in 1167 werd er door de troepen van Frederik I Barbarossa wederom verwoestingen aangericht in het gebied van het Vaticaan.

    Sinds de scholae binnen de Città Leonina lagen probeerden de pausen successievelijk meer grip te krijgen op de scholae. De scholae werden steeds meer gedwongen om hun inkomsten, die gedeeltelijk afkomstig waren uit het moederland, af te staan. Ook gingen de eigendomsrechten van de verschillende tot een schola behorende gebouwen – voor zover deze nog overeind stonden – successievelijk over naar de Sint-Pieter. Vanaf 1058 ressorteerde de kerk van de Schola Frisorum onder het Kapittel van het Vaticaan, hetgeen volgens historici een duidelijke verwijzing is naar een verminderde belangstelling van pelgrims.

    Gegevens over de kerk zijn fragmentarisch. Een document uit 1192 wijst de Schola Frisorum op haar plicht om belasting af te dragen aan de Vaticaanse eigenaars. Een ander document geeft aan dat ten tijde van het pontificaat van paus Urbanus V (1362-1370) nog een priester verbonden was aan de kerk. Paus Eugenius IV schrijft in 1446, dat de Friezenkerk een ruïne is geworden, waarin reeds lang geen kerkdiensten meer zijn gehouden. Uit dit gegeven kan min of meer worden geconcludeerd dat de Schola Frisorum werd opgeheven.

    Vervolgens wordt de kerk gerestaureerd en blijft in gebruik binnen het kader van het Vaticaan. Zelfs in het Verdrag van Lateranen (1929) wordt de kerk genoemd als één van de exterritoriale gebieden, die bij het Vaticaan komen.

    Maar in algemene zin kan worden gesteld dat de scholae geleidelijk in betekenis afnemen, mede toen de pausen in de 14de eeuw Rome verruilden voor het Franse Avignon. Terwijl de gebouwen van de andere scholae verdwenen, bleef echter de Kerk van de Friezen bestaan en in functie.

    De huidige kerk Santi Michèle e Magno (Kerk van de Friezen) is sinds 1989 terug in gebruik bij de Nederlanders.

    In de periode van de achteruitgang van de Schola Frisorum ontstaan er ook nieuwe initiatieven om landgenoten-pelgrims te ondersteunen tijdens het verblijf in Rome. In de tweede helft van de 14de eeuw kocht een echtpaar uit Dordrecht, Jan Peters en zijn vrouw Katrijn, drie huizen in het middeleeuwse Rome als een opvanglocatie voor pelgrims uit de Lage Landen. Het eerste huis was het onderkomen voor mannen, het tweede voor vrouwen, het derde deed dienst als kapel. Deze Jan Peters was ofwel pauselijk soldaat ofwel een koopman in de buurt van de Sint-Pieter. Uit onderzoek is gebleken dat velen uit de Lage Landen hiervan hebben gebruik gemaakt. De gebouwen stonden op de plaats waar later de Santa Maria dell’ Anima is gebouwd.

    Je zou kunnen zeggen dat de functie van de schola wordt overgenomen door de gemeenschap die de Santa Maria dell’ Anima beheerde.

    Kanttekening: Santa Maria dell’ Anima

    Deze kerk, nu de Duitse Nationale kerk, heeft nog steeds banden met de lage landen. De Nederlandse Paus Adrianus II (1528-1529) heeft hier zijn grafmonument.

    Op aandringen van keizer Franz Joseph van Oostenrijk werd in 1859 hier een priestercollege gesticht, waarin één plaats is gereserveerd voor een Nederlands priester. Op dit moment wordt deze plaats ingenomen door dr. Antoine Bodar. In 1924 heeft de latere kardinaal Alfrink hier verbleven in het kader van zijn studie.

    De huidige (Nederlandse) Kerk van de Friezen is nog het enige directe overblijfsel van die scholae en is daarom opgenomen op de UNESCO-lijst van Werelderfgoederen.

    Campo Santo Teutonico
    afb06 campo santo teutonico

     Afbeelding 06: Campo Santo Teutonico

    Ook van een andere schola is ook nog iets over. Het is weliswaar geen directe voortzetting, maar toch ligt de begraafplaats Campo Santo Teutonico of Campo Santo dei Teutonici e dei Fiamminghi op dezelfde locatie als de begraafplaats van de Schola Francorum. Deze schola was specifiek bedoeld voor de Frankische pelgrims.

    In de 15de eeuw werd een Broederschap opgericht, dat alleen toegankelijk was voor inwoners van het Heilig Roomse Rijk, waartoe in die tijd ook de Nederlandse gewesten behoorden; tegenwoordig zijn – naast enkele Nederlanders en Belgen – met name Duitsers en Oostenrijkers lid. Het is dit broederschap dat hier in de 16de een kerk heeft gebouwd, waarvan deze begraafplaats deel uitmaakt.

    De Campo Santo Teutonico is te bereiken via de Arco delle Campana. De Zwitserse Garde verleent op vertoon van een legitimatiebewijs toegang aan pelgrims, die afkomstig zijn uit Nederland, België, Duitsland en Oostenrijk.

    afb07 graf schaepman

    Afbeelding 07: Graf van Schaepman
    Volgens de legende zou de heilige Helena, moeder van keizer Constantijn, op deze plek aarde van Calvarië hebben gestrooid: vandaar de naam Campo Santo, Heilige Akker.
    Er liggen hier ook enkele Nederlanders begraven onder wie mgr. dr. H.J.A.M. Schaepman (gestorven 1903) (de grote katholieke emancipator en oprichter van de R.K.-Staatspartij), mgr. Jan Olav Smit (gestorven in 1972) (onder andere auteur van (reis)boeken over Rome), dr. P.A. Kasteel (gestorven in 2003) (voormalig ambassadeur van Nederland bij de Heilige Stoel en vader van de nu nog in het Vaticaan werkzame mgr. K. Kasteel).
    De grafsteen voor Schaepman is vervaardigd door de Pier Pander.

    Wednesday the 17th. Joomla 2.5 templates. Custom text here