Rome

Afdrukken

6. Basilica di San Pietro

Hoewel in de loop der eeuwen allerlei bouwtechnische aanpassingen aan de ‘oude’ Sint Pieter werden aangebracht, geraakte de basiliek toch in verval, voornamelijk door vocht- en funderingsproblemen. Zo stonden onder andere de muren niet meer in het lood.

Paus Nicolaas V (1447-1455), zelf een humanist, wilde van Rome de meest prestigieuze stad van de renaissance maken, “opdat het prachtige uitzicht van de stad het geloof der nederigen zal versterken” – zo zei hij eens. Het ging er bij Nicolaas om de suprematie van de bisschop van Rome als opvolger van Petrus te versterken en daarin paste een stadplan om het respect van de spirituele autoriteit te verhogen. Ook wilde deze paus van de Vaticaanse paleizen “de geweldigste koningwoning ter wereld” (volgens professor B.H. Molkenboer O.P.) maken.

Het was daarom niet verwonderlijk dat deze paus aan Alberti in 1452 opdracht gaf tot een onderzoek. Leon Battista Alberti (1404-1472) was één van de belangrijkste figuren van de Italiaanse Renaissance. Zijn opdracht was ruim: een advies met betrekking tot de restauratie en architectonische ontwikkeling van Rome in het algemeen en de bouwkundige toestand van de ‘oude’ Sint-Pieter in het bijzonder. Hij stelde voor om de bestaande basiliek te versterken; dat was in overstemming met zijn principe: het behouden van historische gebouwen.

Dat gebeurde in een tijd waarin de Renaissance in opkomst was. Bij de humanisten was er sprake van een spanning tussen enerzijds de aanvaarding van de christelijke traditie (vormgegeven in de oude kerkgebouwen) en anderzijds een afstand nemen van de uiterlijke vormentaal van die kerkgebouwen (niet restaureren, maar vernieuwen conform de klassieke architectuur zoals beschreven door Vitruvius (± 80-20 v.Chr.) in zijn standaardwerk De Architectura (Over de bouwkunst)).

Omdat de uitvoering van de plannen van Alberti tot herstel van de kerk (gedoeld wordt op het weer in het lood zetten van de muren) niet tot resultaat leidde, gaf de paus vervolgens aan Bernardo Rossellino (een leerling van Alberti) opdracht om een ontwerp voor een nieuwe kerk te maken. Het gebouw zou mede gefinancierd worden met behulp van de gehele christenheid (door middel van aflaatpenningen waartegen Maarten Luther zich later zou keren). Overigens, uit archiefstukken is gebleken dat deze paus geen nieuwbouw wenste, maar een aanpassing van het oude complex aan de nieuwe architectonische inzichten van zijn tijd. Het plan van Rossellino was feitelijk een Latijns kruis en behelsde: de vervanging van het oude dwarsschip met absis door een veel grotere met een koepel op de kruising en een aanpassing van het schip en atrium: een ontwerp dat geleek op de toenmalige Sint-Pieter. Een plan in overeenstemming – dus – met de wens van de paus.

Het werk, gestopt bij het overlijden van paus Nicolaas V in 1455, bleef beperkt tot de sloop van enkele gebouwen, die er toch al bouwkundig slecht aan toe waren en het begin van de bouw van de muren voor de nieuwe absis. Onder de volgende twee pausen (Callixtus III en Pius II) werden er aan de basiliek geen bouwactiviteiten verricht. Van paus Paulus II (1464-1471) kreeg Giuliano da Sangallo de Oudere de opdracht verder te gaan met de bouw, maar vooruitgang was er nauwelijks.

Dat de meningen verdeeld waren over de toestand van de oude Sint-Pieter blijkt wel uit het feit dat paus Sixtus IV (1471-1848) een nieuwe uitbouw in de zuidelijke muur deed bouwen: de Cappella del Coro, waar na zijn dood zijn grafmonument werd geplaatst. Kennelijk viel het wel mee met de scheve buitenmuur.

De opvolgers van Sixtus IV (Innocentius VIII, Alexander VI en Pius III) hebben geen initiatieven ontplooid met betrekking tot bouwactiviteiten aan de kerk, anders dan voor onderhoud in verband met het Heilig Jaar van 1500.

Het was paus Iulius II (1503-1513) die de bouwplannen een nieuw leven inblies. Ook hij wilde de grandeur van Rome vergroten. Hij wijst Donato Bramante aan en laat een nieuw ontwerp opstellen: een soort plein, bekroond door een koepel gedragen door vier immense pijlers met vier armen. De koepel zou daarmee een imposant luifel worden voor het graf van Petrus. In vaktermen wordt dit model aangeduid als centraalbouw in de vorm van een Grieks kruis. Het ontwerp was kenmerkend voor de Renaissance: een centraalbouw voldeed in zijn regelmaat aan de idealen ervan, hetgeen inhield een voorkeur voor harmonie en evenwicht én leek erg veel op het antieke mausoleum, hetgeen appelleerde aan de gevoelens voor de Oudheid.

Achteraf kan de vraag worden gesteld of dit plan wel goed is uitgewerkt en of het in deze vorm uitvoerbaar was. Het voldeed in ieder geval wel aan de ideeën van Iulius, want deze wilde zijn eigen grafmonument, waartoe hij Michelangelo de opdracht had verstrekt, in de nieuwe kerk plaatsen. Van dit grafmonument is slecht een deel tot uitvoering gekomen en dat deel bevindt zich nu de San Pietro in Vincoli.

afb08 schets plan bramanteAfbeelding 08: Schets Plan van Bramante

Op 17 april 1506 wordt door paus Iulius II de eerste steen gelegd bij de fundamenten van de steunpilaar, waarin later de Veronica-relikwie zou worden ondergebracht.

Kanttekening: Relikwie-pijlers

Naast het graf van Petrus bewaart de kerk nog drie belangrijke relikwieën in de kapellen in de koepelpijlers. Boven het beeld van Veronica wordt een stuk van de zweetdoek bewaard, boven het beeld van de Helena delen van het Heilig Kruis en boven het beeld van Longinus een stuk van de lans, waarmee de zijde van Christus werd doorboord.

Boven het beeld van Andreas werd de schedel van de apostel Andreas bewaard, maar deze is door paus Paulus VI in 1964 teruggeschonken aan de Grieks-orthodoxe kerk.

Bramante ging zeer voortvarend aan de slag. Hij sloopte drastisch het dwarsschip, de kapellen van de oude basiliek en de fundamenten van de nieuwe absis, waaraan Rossellino ooit was begonnen. Van het westelijk deel van de kerk bleef alleen staan het middenschip, de absis en de Constantijnse monument met de Memoria Petri ter bescherming waarvan een huis omheen werd gebouwd: het zogenaamde Tegurium. Gezegd moet worden dat er veel waardevolle kunstwerken door het slopen van Bramante zijn verloren gegaan; dat is vreemd want er was een decreet van paus Pius II uit 1462 waarin afbraak en beschadiging van antieke gebouwen verboden was. Het leverde Bramante de bijnaam: Master Ruinante op. Bij de dood van Bramante in 1514 waren gereed de vier steunpijlers en de vier steungewelven voor het dragen van de koepel en de eerste aanzet van de zuidelijke dwarsbeuk.

Paus Leo X (1513-1521) wees vervolgens een team van drie bouwmeesters aan onder leiding van Raphael om door te gaan met de bouw. Raphael werd ter zijde gestaan door Fra Giocondo, die overleed in 1515 en door Giuliano da Sangallo, die om gezondheidsredenen bedankte in 1515. Raphael zelf overleed in 1520. Het ontwerp van Bramante werd door hen aangepast door de oostelijke tak te verlengen, waardoor de basiliek een Latijns kruis zou zijn geworden. Deze wijziging kwam tot stand onder druk van de Curie die enerzijds het ontwerp te veel vond lijken op heidense voorbeelden en anderzijds was er te weinig ruimte voor de uitoefening van de liturgie. De voorstellen zijn niet verder gekomen dan tot het papier en hun activiteiten hebben niet geleid tot enige voortgang in de bouw.

Paus Leo X stelt dan Antonio da Sangallo de Jonge aan met als assistent Baldassare Peruzzi. Zij grepen weer terug op het plan van Bramante, het Griekse kruis dus. Feitelijk vonden er geen bouwactiviteiten plaats vanwege de politieke problemen en het gebrek aan financiële middelen. Omdat Bramante bouwmaterialen van een slechte kwaliteit had gebruikt, moest tijd en geld worden besteed aan versterkingen en consolidatie van de pijlers. Deze onderbreking duurde voort tijdens het pontificaat van paus Adrianus VI (1522-1523) en Clemens VII (1523-1534), die in 1527 de Sacco di Roma moest ondergaan.

Kanttekening: Sacco di Roma

Sacco di Roma staat voor Plundering van Rome tussen 6 en 14 mei 1527. Keizer Karel V beschouwde Italië als de kern van het Heilige Roomse Rijk; de paus daarentegen wilde niet onder keizerlijke voogdij staan. De troepen van de paus waren niet opgewassen tegen de leger van Karel, dat voornamelijk bestond uit aanhangers van Maarten Luther.

Op 5 mei 1527 stond het leger voor de poorten van Rome: de Duitse en Spaanse soldaten hadden maanden geen soldij ontvangen. Ze waren op buit belust en de lutheranen hadden zo hun eigen beweegredenen; ze drongen de volgende dag de stad binnen. Paus Clemens VII vluchtte naar de Engelenburcht.

De soldaten hielden vreselijk huis. Er volgde een plundering die zijn weerga niet kende en duurde tot 14 mei. De door de eeuwen heen vergaarde kostbaarheden, die zich in de Romeinse paleizen en kerken bevonden, werden geroofd of vernield. Ook de inwoners van Rome waren het slachtoffer: ze werden verkracht en van het leven beroofd.

De in aanbouw zijnde Sint-Pieter werd beschouwd als behorende tot een van de vele Romeinse bouwvallen, zoals blijkt uit het werk van Jan van Scorel en Maerten van Heemskerck.

De nieuwe paus, Paulus III (1534-1549), handhaaft Sangallo en Peruzzi en geeft opdracht tot het opstellen van een nieuw plan. Sangallo ging uit van het ontwerp van Bramante voor wat betreft de centraal bouw, maar aan de voorzijde kwam een uitbreiding met een enorme portiek, geflankeerd door twee campaniles, en op de achtergrond een façade met de Loggia delle Benedizioni. Van dit ontwerp is een houten model van circa 7 bij 6m en 4,5m hoog gemaakt en bewaard gebleven. Tot uitvoering van dit plan is het niet gekomen. De architecten gingen verder met consolidatie van de pijlers en het ophogen van de vloer van de nieuwe basiliek met 3.20m; hierdoor zou deze ruimte tussen de oude vloer van de basiliek van Constantijn en het nieuwe de kern van de Vaticaanse grotten worden en gaan dienen als opslag voor alles van waarde uit de oude basiliek.

In 1538 geeft de paus opdracht tot het plaatsen van een scheidingsmuur tussen de nieuwe absis en – ongeveer halverwege – het oude schip; deze enorme wand moest de gelovigen beschermen tegen stof en geluidshinder tijdens de vieringen.

Peruzzi overleed in 1536 en Sangallo in 1546, waarna de paus op zoek moest naar een nieuwe hoofd-architect. Hij wilde Michelangelo aanwijzen, maar deze weigerde in eerste instantie tot de paus hem beval de opdracht aan te nemen.

Michelangelo keerde terug naar het ontwerp van Bramante; hij handhaafde de plattegrond van het Griekse kruis, maar wijzigde de koepel en maakte de tamboer hoger. Ook heeft hij net zoals Sangallo een model van de koepel laten maken (5m x 4m x 2m), bang als hij was dat na zijn dood het ontwerp zou worden aangepast. Ook dit model is bewaard.

Michelangelo heeft alles wat door Sangallo was gebouwd: de immense buitenmuren en de versterking van de vier grote pijlers, afgebroken. Bij zijn dood in 1564, waren drie armen met hun absissen gereed en de koepel kwam tot de trommel.

Paus Pius IV (1560-1565) stelde Pirro Ligorio aan als opvolger, maar deze werd door de opvolgend paus Pius V (1566-1572) ontslagen, omdat hij het ontwerp van Michelangelo wilde wijzigen. Deze paus belaste Giacomo Barozzi da Vignola met de opdracht. Vignola plaatste volgens het plan van Michelangelo twee kleinere koepels, die naast de grote koepel slechts een esthetische functie vervullen zonder grote structurele consequenties binnen de basiliek. Ook deed hij aanvullend onderzoek naar de bouwkundige consequentie van het afbouwen van de koepel. Onder het pontificaat van paus Gregorius XIII (1572-1585) ging de bouw verder: eerst onder leiding van Vignola en na diens dood onder Giacomo della Porta vanaf 1574.

Het was paus Sixtus V (1585-1590) die op 19 januari 1587 Della Porta de opdracht gaf om de bouw van de koepel te voltooien. Hij volgde in essentie het door Michelangelo achtergelaten model; oorspronkelijk bedacht met een ronde boog heeft hij de vorm veranderd in een meer slanke kromming om de verticaliteit te benadrukken. Door dag en nacht door te werken was de koepel voltooid op 14 mei 1590.

Kanttekening: Obelisk op het latere Sint-Pietersplein

Paus Sixtus V is ook degene die de opdracht tot het verplaatsen van de obelisk had verstrekt. In 1585 werd deze door Domenico Fontana verplaatst naar de voorkant van de oude Sint-Pieter, die toen nog niet was gesloopt. De obelisk, een getuige van het martelaarschap van de apostel Petrus kreeg op de top een ijzeren kruis met een relikwie van het Kruis van Christus als verheerlijking van de martelaren en de triomf van het pausdom.

De verplaatsing van de obelisk (327.000 kg) vanaf de oorspronkelijke plaats – links van de Sint Pieter, binnen het afgesloten gedeelte van Vaticaanstad, is deze plek gemarkeerd met een tegel – naar de huidige was een hele krachttour, waarbij 507 mannen, 75 paarden en 40 lieren werden ingeschakeld. De uitvoerige voorzorgsmaatregelen behelsden onder andere een volledig stilzwijgen, op straffe des doods. Toen de touwen dreigden te knappen, zo gaat het verhaal, riep een zekere Bresca: “Water op de touwen!” Daarmee was de operatie gered. Toen Sixtus V dit verhaal te horen kreeg, werd Bresca in aller ijl van het schavot gehaald om rijkelijk beloond te worden.

Het afbouwen ervan werd voltooid onder paus Clemens VIII (1592-1605) met als afsluiting de plaatsing van de grote bronzen bol op de top van de lantaarn op 8 november 1593.

Deze paus, die Carlo Maderno aanwees als opvolger van de in 1602 overleden Della Porta, heeft de situatie van het altaar en de Memoria Petri onder handen doen nemen. Nadat in 1592 het Tegurium was afgebroken, liet hij een nieuw altaar te bouwen, de halve ring om het gedenkteken van Petrus verruimen en de vloer weer opbreken om het graf van Petrus vanuit de kerk zichtbaar en toegankelijk te maken; het werd door Maderno in 1615 gerealiseerd. Hiermee werd de huidige situatie geschapen.

Na de verkiezing van Paulus V Borghese (1605-1621) kwam het probleem van de sloop van het oostelijk deel van de basiliek aan de orde. Deze paus nam het plan van Maderno over om de oostelijke tak van het ontwerp van Michelangelo te verlengen waardoor de basiliek alsnog de vorm van een Latijns kruis kreeg.

afb09 schets plan madernoAfbeelding 09: Schets Plan van Maderno

Kanttekening: Discussie tussen Grieks en Latijns kruis

De argumenten die de doorslag gaven om af te stappen van het Grieks kruis en over te gaan tot een Latijns kruis, waren de volgende:

De noodzaak van voldoende ruimte voor het uitvoeren van de plechtige ceremoniën (kroningen van pausen en koningen, heiligverklaringen, Heilig Jaar-feesten, processies);

De behoefte aan ruimte voor het koor en aan een sacramentskapel, een doopkapel, een sacristie en aan de Loggia della Benedizione aan de gevel;

De wens om het gehele gebied van de Constantijnse basiliek weer te bedekken.

De sloopwerkzaamheden begonnen in 1606. De paus, indachtig de door Bramante aan kunstwerken veroorzaakte schade tijdens diens sloop, verordonneerde dat alles moest worden bewaard voor zo ver dat mogelijk was. Hiervoor werd gebruik gemaakt van de door Sangallo ingerichte ruimte (de huidige Grotte Vaticane) en tevens werd de archivaris Giacomo Grimaldi belast met het beschrijven van elk ding dat successievelijk werd gesloopt. Via deze werkwijze konden alle pilaren van de oude Sint Pieter worden teruggeplaatst in de nieuwe Sint Pieter.
De verlenging werd door Maderna voltooid in 1614.

Aan het interieur is nog tientallen jaren gewerkt. In 1629 vertrouwde paus Urbanus VIII (1623-1644) Gian Lorenzo Bernini de verdere aankleding van de basiliek toe aan. De bronzen baldakijn van Bernini werd ingehuldigd in 1633. Bernini ontwierp en bouwde het Sint-Pietersplein pas in de jaren zestig van de 17de eeuw.

Eén principe is tijdens het gehele proces onveranderd gebleven: het hoofdaltaar bleef boven het graf van Petrus en kwam onder de nieuwe koepel. De totale bouw heeft zo’n 170 jaar in beslag genomen. Ten slotte werd het plein met de colonnade vóór de basiliek in de jaren 1656-1667 gecreëerd door Bernini.

Tijdens de bouw van de Sint-Pieter heeft men tot tweemaal toe sporen van de Vaticaanse begraafplaats aangetroffen. De eerste keer was tijdens het afbreken en bouwen van de gigantische koepelpijlers tijdens de periode van Bramante; de werklieden zijn toen gestuit op de volgestorte mausolea van de Romeinse begraafplaats, maar men heeft er geen ruchtbaarheid aan gegeven om vertraging te voorkomen. Ook in 1626 vereiste de bouw van de bronzen baldakijn boven het altaar stevige fundamenten; de architecten lieten toen graafwerkzaamheden verrichten. De toenmalige paus verbood verder onderzoek bang als hij was dat er niets zou worden aangetroffen. De opdracht was en bleef: het leggen van de fundamenten en verder niets.

Aan de behoefte, respectievelijk pauselijke opdracht om de continuïteit met de oude basiliek te versterken is in de nieuwe basiliek op verschillende wijze vormgegeven:

  • - Het altaar moest hoe-dan-ook boven het graf van Petrus blijven;
  • - De kostbare zuilen (spolia) van de oude kerk zijn allemaal teruggeplaatst naast de zijaltaren en naast de ingangen van de nieuwe kerk;
  • - De porfieren treden van het oude altaarpodium zijn teruggelegd in de nieuwe absis;
  • - De treden van de confessio zijn architraafdelen van de oude Sint-Pieter;
  • - De wijnrankzuilen van de pergola, ooit door Constantijn geschonken, zijn opgenomen in de reliekenloggia’s in de vier koepelpijlers;
  • - De bronzen zuilen van de huidige baldakijn van Bernini vertonen dezelfde draaiingen als de wijnrankzuilen van Constantijn;
  • - De bronzen deur van Filarete, vervaardigd voor de oude basiliek, is teruggeplaatst – na aanpassing – als een van toegangsdeuren;
  • - Zelfs de uiteindelijke vorm van de nieuwe kerk (een Latijns kruis) komt overeen met de oude basilica, inbegrepen de oppervlakte.

 

Onderstaande twee voorbeelden van het her-gebruik van de zuilen van de ‘oude’ Sint Pieter. Deze zuilen behoorden tot de zuilenrij van het middenschip.

Oorspronkelijk zijn deze zuilen afkomstig uit de voorraden waarover keizer Constantijn de beschikking had.

afb10 loggia 1992-04-19 Toelichting bij de foto – links.
De voorgevel van de Sint Pieter met de Loggia della Benedizione.
De met palmtakken omwikkelde zuilen ter weerszijde van de ingang zijn spoli

Toelichting bij de foto – rechts.
Links en rechts van het altaar staan twee zuilen van Portosanto-marmer. Het zijn spolia.
Afb11 Hergebruikte zuilen

Afbeelding 10: Foto hergebruikte zuil Afbeelding 11: Foto hergebruikte zuil

NB.
De pelgrim en/of toerist dient zich te realiseren dat een complex waaraan hele generaties bouwmeesters ruim 150 jaar hebben gewerkt, onmogelijk een volkomen eenheid kan zijn.

Thursday the 24th. Joomla 2.5 templates. Custom text here